Donderdag, 27 augustus, 2009

Geschreven door: Akkerman, Stevo
Artikel door: Hopman, Bob

De inboorling

Geen reden tot oproer

De in 2005 opgerichte uitgeverij Nieuw Amsterdam profileert zich met hun boekenaanbod steeds meer als een geëngageerde uitgeverij, een die maatschappelijke boodschap en het oproepen van discussie nog wel eens de voorkeur geeft boven de vorm van de literatuur. De Inboorling, de tweede roman van Stevo Akkerman (1963) toont zich door dergelijke eigenschappen een echt Nieuw Amsterdam-boek.

Het boek is voor de helft historische roman, in de vorm van een raamvertelling, voor de andere helft een postkoloniale roman in hedendaagse tijd. De waarnemer van beide verhaaldelen is Jozef Muskiet, een zich bijna krampachtig als Nederlander profilerende man van Surinaamse herkomst. Zijn oude, dementerende moeder klaagt steen en been in een verzorgingstehuis, waar ze zich gediscrimineerd en voortdurend bestolen voelt omdat ze ‘niet wit’ is. De woorden ‘zwart’, ‘donker’, en ‘Surinaams’ spreekt ze niet uit. De oude vrouw overlijdt vroeg in het boek, waardoor Jozef in het bezit komt van een aantal kostbare brieven, geschreven door zijn verre voorouder Frederik Boksteen. De Surinamer ondernam aan het einde van de 19e eeuw een reis naar het verre Holland, om koning Willem III, afschaffer van de slavernij te ontmoeten.

Frederiks reis verliep niet zoals gehoopt, zo blijkt uit de brieven. Hij belandde bij een ongelukkige groep Surinaamse immigranten die werd belazerd, en bij aankomst in Nederland ‘als dieren’ werd tentoongesteld in het Rijksmuseum. Die tentoonstelling is de historisch gefundeerde basis van de roman, een gedocumenteerde gebeurtenis in het jaar 1883. Een goede honderdtwintig jaar later, precies op het moment dat Jozef zijn kostbare briefmateriaal in handen krijgt, laat Akkermans het Rijksmuseum besluiten om een nieuwe tentoonstelling op te zetten. Ditmaal is de gebeurtenis uit 1883 onderwerp, en de bijzondere, ongeciviliseerde omgang met de zwarte mens. Jozef leest over die omgang in de geschriften van zijn grootvader en wil die documenten overhandigen aan het Rijksmuseum om aan de nieuwe tentoonstelling toe te voegen, maar juist binnen zijn eigen bevolkingsgroep, de Surinaamse gemeenschap is de tentoonstelling is omstreden, wat Jozef voor een moeilijke beslissing zet: zijn grootvader ‘tentoonstellen’ en Nederland laten zien hoe barbaars het zo recent nog omging met andere bevolkingsgroepen, of de brieven achterhouden en het museum boycotten zoals zijn Surinaamse vrienden willen.

De lezer krijgt te horen hoe de inboorlingen werden onderworpen aan allerlei schedelmetingen, hoe zij bekeken werden door hoge staatslieden en hoe, tussen alle vernederingen door, juist hun grote held Willem III zich keer op keer afmeldt. Toch blijft dit historische romandeel onderbelicht ten opzichte van het postkoloniale, hedendaagse verhaal. Waar bijvoorbeeld Arthur Japin met De grote wereld of Erik Vlaminck met Suikerspin zich concentreren op de pijn van het slachtoffer in vroeger tijden, besteedt Akkerman meer aandacht aan de overgebleven pijn in de hedendaagse maatschappij; de brieven van Boksteen zijn te fragmentarisch en te onvolledig om echt medeleven op te roepen.

Scènes

De keus voor hedendaagse problematiek boven historische motieven is aan de schrijver. Jammer is dan wel dat ook de onrust rond de ‘nieuwe’ tentoonstelling nooit echt geloofwaardig wordt. Uiteraard is de shockerende werking voorstelbaar, maar de reactie van de Surinamers is overdreven.

‘De strijd gaat niet tegen individuen of andere volken […]. De strijd gaat om ons, onze gemeenschap en ons zelfrespect. We zullen niet nalaten het systeem dat ons in onderdrukking houdt en iedereen die zich hiervoor leent zonder aanzien des persoons ter verantwoording te roepen’

Zo spreekt een pamflet in handen van Jozefs neef. Het Museumplein staat tegelijk vol woedende Surinamers. Jozefs beargumenteerde antwoord is eenvoudig:

‘Pas op je woorden, neef. Ik stel mijn opa niet tentoon, dat begrijpt iedereen. Behalve jij. Ik laat zien hoe ánderen mijn opa tentoonstelden, dat is iets heel anders. En het is goed om dat te laten zien; laat de blanken erachter komen wat hun geschiedenis is.’

De argumenten die Akkerman opvoert om Jozef de documenten wel aan het museum te overhandigen zijn veel sterker dan de redenen om het niet te doen. Hiermee maakt hij de tweestrijd van Jozef wat onzinnig, en ridiculiseert hij tegelijkertijd de houding van de protesterende Surinamers. Jozef verdedigt het Rijksmuseum door de journalistieke en volstrekt niet racistische bedoelingen en doet dat met succes. De woedende menigte wekt dan ook weinig sympathie op en komt niet over als een intelligente, rationeel denkende bevolkingsgroep.

In het journalistieke karakter van de tentoonstelling zit hem waarschijnlijk het probleem: Akkerman, zelf journalist, laat vanaf het begin iets te duidelijk een voorkeur voor het tonen van geschiedenis boven het verzwijgen ervan doorschemeren. Hierdoor roepen noch het verhaal van Frederik, noch de twijfel van Jozef in het heden de spanning en emotie op die de verhalen in potentie bevatten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *