Vrijdag, 27 september, 2019

Geschreven door: Kat, Otto de
Artikel door: Heumakers, Arnold

De inscheper

Mooischrijverij en clichés liggen onder één deken

[Recensie] Melancholie wordt van oudsher met kunst en literatuur geassocieerd. De beste schrijvers en kunstenaars hebben last van zwarte gal of zijn geboren onder Saturnus. Maar dat wil niet zeggen dat elk kunstwerk noodzakelijkerwijs melancholiek is of zou moeten zijn. Tussen werk en gemoed mag gerust verschil bestaan. Waarom zou een melancholicus geen humorist kunnen zijn? De clown weent in de coulissen, zo wil het cliché.

Clichés liggen ook op de loer wanneer het in een kunstwerk wèl direct om melancholie gaat. Het is oppassen geblazen, omdat het zo gemakkelijk is een melancholieke sfeer op te roepen. Iedereen herkent de weemoed op een kilometer afstand: de verglijdende tijd, de overweldigende herinnering, de zwerver die geen rust vindt, en jawel, alles blijkt wederom vergeefs te zijn geweest. Wie zijn kaarten op de melancholie zet, moet dus met iets bijzonders komen.

In zijn debuut Man in de verte heeft Otto de Kat (pseudoniem van uitgever, inmiddels ex-uitgever Geurt Gaarlandt) dat gedaan, tot op zekere hoogte althans. Bijzonder aan deze korte roman is niet de ontheemding van de hoofdpersoon, maar de schetsmatige manier waarop diens gemoedsstemming in kaart wordt gebracht. In plaats van een verhaal dat kan worden naverteld, lezen we een mozaïek van schimmige impressies en herinneringen. Onder het motto “Wat voorbij is bestaat pas echt” wordt de melancholische sfeer daardoor zo aanstekelijk, dat zelfs de meest levenslustige lezer zich er niet helemaal aan zal kunnen onttrekken.

Hetzelfde motto, zij het met een kleine variatie (“Wat voorbij is, bestaat pas werkelijk”), keert terug in De Kats tweede roman De inscheper, opnieuw een relaas van ontworteling en vervreemding, en van begin tot eind gedrenkt in melancholie. Maar de schrijver heeft nu ook voor een herkenbaar levensverhaal gezorgd, en dat maakt alle verschil. Jammer genoeg niet in het voordeel van het nieuwe boek.

TijdvoorTijdschriften

Want het relaas over ‘inscheper’ Rob, een would be avonturier die in de jaren dertig van de vorige eeuw zijn ouderlijk huis (en vooral zijn martiale papa, een oud- KNIL-officier die in Atjeh een oog heeft verloren) ontvlucht, naar Zuid-Afrika reist en naar Nederlands-Indië, in een Jappenkamp terechtkomt, in Nagasaki als krijgsgevangene de atoombom ziet vallen en daarna toch niet naar Nederland maar naar Zuid-Afrika terugkeert, van het ene schip op het andere en immer met de ziel onder de arm, totdat hij een telegram krijgt dat zijn geliefde moeder op sterven ligt, bestaat uit zoveel sjablonen dat je er niet warm of koud van wordt.

Het enige wat – met de nodige goede wil – bijzonder zou kunnen worden genoemd, is de merkwaardige relatie met vriend Guus. Ze hebben elkaar in Japanse gevangenschap leren kennen. Guus overleeft de oorlog niet en wordt in Robs herinnering een soort ‘alter ego’. Met zijn rechte scheiding in het midden, zijn ‘aristocratische’ achtergrond en zijn goede verstandhouding met zijn oude heer vertegenwoordigt hij alles wat Rob misschien ook had kunnen of willen zijn.

Zo verandert hij postuum in een niet te versmaden bron van melancholie. Rob is als het ware het negatief van Guus. Of, zoals De Kat het uitlegt (zoals hij ditmaal alles uitlegt): beider levens staan als “licht” en “donker” tegenover elkaar. Ik moest even aan Poe’s meesterlijke verhaal William Wilson denken, ook al ontbreekt in De inscheper elke demonische dimensie.

Helaas, want ervoor in de plaats komt sentimentaliteit. Melancholische sentimentaliteit weliswaar, maar die kan ook heel erg zijn, vooral wanneer er aan mooischrijverij wordt gedaan. Alle zelfdiscipline op dit punt (die Man in de verte nog net aan de goede kant van de streep hield) is losgelaten en dus kunnen we ongeremd genieten van zinsneden als “Honger naar het ongebaande, Lissabon, Casablanca, Dakar, dorst naar de verhalen van het schip” of “Een schaduw werd hij, een onzichtbare gazelle, een vreemde spiegel waarin hij zichzelf meende te ontdekken.”

Regelrechte clichés worden evenmin geschuwd: “…de jaren van totale barbarij drukten hun gewicht op hem,” “…hij had zich ingegraven in zijn ballingschap,” “Al de jaren van verzet smolten weg in een ogenblik,” “Hij wist niet waar hij het zoeken moest,” “Vijftien jaar nu bijna onderweg om nergens aan te komen.” Zo gaat het maar door. Met als resultaat, onvermijdelijk als mooischrijverij en clichés (“kruiend ijs tegen de dijk van zijn geheugen”) onder één deken liggen: zuivere kitsch.

Een kleine rimpeling doet zich slechts voor als het niet meteen lukt om van het beschrevene een concrete voorstelling te maken. Zo heeft De Kat het over “kale kamers (…) waar de leegte zich opstapelde” en over “Ariadne, die ’s nachts de draad uithaalde die zij overdag gesponnen had.” Hoe kan leegte zich opstapelen, hoe kun je een draad uithalen? Het moet trouwens niet Ariadne, maar Penelope zijn, die ’s nachts het kleed uithaalde dat zij overdag geweven had teneinde de vrijers op afstand te houden. Of dienen we deze naamsverwisseling als iets diepzinnigs te waarderen?

Misschien is het hopeloos, maar misschien ook heeft het zin als De Kat de volgende keer, bij wijze van kuur of remedie, eens zou proberen alle melancholie te vermijden – zo niet buiten dan toch in elk geval binnen het boek.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad