Donderdag, 29 maart, 2018

Geschreven door: Don, Floris
Artikel door: Bals, Kees

De Johannes-Passion

“Huil als een vent!”

[Recensie] Soms – heel soms – zou je willen dat de Matthäus-Passion niet bestond. Johann Sebastian Bach (1685-1750) componeerde in een onnavolgbaar tempo het ene na het andere meesterwerk, elk met bestaansrecht op zich, maar zijn Johannes-Passion lijkt altijd in de schaduw te moeten blijven staan van diens grote broer. Zo voelen ook Mischa Spel (NRC) en Floris Don (programmeur Rotterdams Filharmonisch Orkest) zich in de ondertitel van hun ‘luistergids’ gedwongen zich te verantwoorden: deze kleine passie is “minstens zo mooi (…) als de Matthäus”.

Ten onrechte natuurlijk. Voor wie dat nog niet wist, wordt dit snel duidelijk in dit boek, zowel in de inleiding van de auteurs, als in de beschouwingen die ze citeren van dirigenten, zangers, componisten en liefhebbende luisteraars. Voor de Johannes geldt: less is more en small is beautiful (al hebben we het nog altijd over zo’n zeven kwartier prachtmuziek). Bovendien is de Jezus van deze passie een man met een missie: aan het kruis met mij! De verlosser is op een queeste om de zonden der wereld op zich te nemen en dat geeft, gecombineerd met die relatieve beknoptheid, vaart en dramatiek aan deze kroniek van een aangekondigde dood. Daarin stuwen de turbae, de schreeuwkoortjes van hogepriesters, omstanders of soldaten, het verhaal voort, koortjes waarin Bach zich op zijn swingendst laat horen.

Spel en Don leiden de luisteraars aan de hand van deskundigen door het stuk en laten op die manier zien hoe ongelofelijk effectief Bach was. Neem bijvoorbeeld het openingskoor Herr, unser Herrscher, waar hij de spanning opbouwt door de noten van de houtblazers te laten schuren. “Alles klopt,” zoals de bas Robert Hall zegt: “Elk woord (krijgt) de juiste, logische nadruk. Geen enkele componist in al die eeuwen voor of na hem heeft hem daarin overtroffen.” En hoor hoe Bach in ‘the battle of the basses’ tussen Pilatus en Jezus de laatste letterlijk het hoogste woord geeft.

Vanzelfsprekend komen de onontkoombare kwesties ter sprake. Hoe opera-achtig is deze passie? De Leipziger kerkenraad had Bach expliciet opgedragen daar ver van te blijven. Dirigent René Jacobs wil absoluut niet horen van een vergelijking met Idomeneo of Don Giovanni, terwijl zijn Schotse collega John Butt fijntjes wijst op het gebruik van Napolitaanse sextakkoorden, een innovatie afkomstig uit de opera. Is de Johannes antisemitisch? Het zijn immers ‘de Joden’ die erop aandringen Jezus te kruisigen. Dirigent Jan Willem de Vriend geeft aan die gedachte onverteerbaar te vinden, en ziet als oplossing een onderscheid tussen ‘de Joden’ en joodse mensen, “waarbij met de eerste categorie de dogmatici worden aangeduid die precies volgens de Thora leven”. Zijn collega Daniel Reuss heeft een overtuigender argument: ‘judaion’ in het evangelie had beter vertaald kunnen worden met ‘Judeeërs’, de mensen die rond Jeruzalem woonden, zeg maar ‘de burgers’. Al valt daar tegen in te brengen dat Luther, wiens Bijbelvertaling Bach gebruikte, zeker antisemitisch was. Met genoegen schoof de kerkhervormer de verantwoordelijkheid voor Jezus’ dood in de schoenen van ‘den Juden’.

Archeologie Magazine

Dan is er nog de kwestie van de verholen boodschappen. Dat Bach op het eind van het stuk de ouderwetse viola de gamba inruilt voor de moderne cello, is dat een verwijzing naar het nieuwe leven, de wederopstanding? Horen we de Heilige Drievuldigheid in zwevende strijkers (Heilige Geest), het solide pompende basfundament (Vader) en lijdende, klagende hobo’s (Zoon)? Is het toeval dat er veertien turbae in de Johannes zitten en dat in Bachs naam een verwijzing zit naar datzelfde getal: B(2)+A(1)+C(3)+H(8)=14? Reuss doet dit soort speculaties afdoende af: “Een normaal mens kan in één leven niet eens overschrijven wat Bach allemaal zelf componeerde.” Het is nagenoeg ondenkbaar dat hij er de tijd voor vond om puzzeltjes te verstoppen in zijn ingenieuze muziek.

Dit alles larderen Spel en Don met de nodige anekdotes. Over de passage waar Petrus bitter weent, zei Frans Brüggen tegen evangelist Nico van der Meel: “Nico, hier niet een beetje snikken, huil als een vent!” Vorig jaar lieten de twee auteurs reeds een gids voor de Matthäus-Passion verschijnen, en je kunt slechts hopen dat ze hun werk voortzetten en al bezig zijn met een boek over het Weihnachts-Oratorium. Bachs religieuze muziek is immers het vijfde evangelie. Zoals alt Nathalie Strutzmann aangeeft: “Het betreft geen abstracte bevrijding, nee, jijzelf wordt aangesproken.” Of in de woorden van componist Theo Loevendie: “Zoals velen geloof ik niet in God – behalve wanneer ik naar Bach luister.”

Voor het eerst gepubliceerd op de Leesclub van Alles