Maandag, 4 februari, 2013

Geschreven door: Wieringen, Hannah van
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De kermis van Gravezuid

Eenlingen met een eigen route

Kermis? Kerkhof. De titel van Hannah van Wieringens debuutverhalenbundel wekt de verwachting van vrolijkheid en vertier, maar al snel blijkt dat er in dit dorpje aan de dijk te veel verloren is en gaat om daadwerkelijk op meer dan een lichte kater te hopen. Meestal loopt het slechter af. Van Wieringen (1982), die al eerder toneel- en journalistiek werk schreef, treft in De kermis van Gravezuid heel goed een sfeer van hoop tegen de klippen op, en dan vooral die klippen. Ze is goed in wrange, ongemakkelijke wendingen, en ze geeft personages een eigen stem. En al zijn de zinnen soms wat vol, en rommelt het mozaïek wat, dit is een sterk debuut.

De kermis van Gravezuid portretteert bewoners van een fictief dorpje aan een dijk, in de aanloop, tijdens en kort na de kermis. Maar niet alle bewoners. Van Wieringen is selectief; ze kiest de buitenstaanders onder de bewoners. De vreemden: de dromers, de kunstenaars, de nieuwkomers, de pubers. En de vervreemden, die door dood en ongeluk hun plaats kwijt zijn geraakt. Eenlingen. Een jonge duiker, een oude beeldhouwer, een weduwe, verveelde pubers, de vermoeide echtgenote van de kroegbaas, ongemakkelijk verliefden, een barmeisje dat op haar baas verliefd is, een reclameschrijver met literaire ambities, een friettentuitbater, een onzekere zestienjarige, een mongool.

Vreugdeloos, maar niet kleurloos

Een mooi voorbeeld daarvan is ‘Het lichaam van Bregt’, waarin een verweduwde schooljuf zich eigenaardige rouwrituelen heeft eigen gemaakt. Het verhaal begint zo:

‘Ze houdt de wacht, dicht bij de schooldeur. Deze uitzwermende, uitgelaten lichamen gruwelen nog maar heel even langs en om haar heen. Een hand kunnen ze krijgen, een korte knik. Ze trekt ze niet bij het minste of geringste op schoot.’

Wandelmagazine

De toon is gezet; de vreugde is eruit. Maar vreugdeloos is niet kleurloos. Bregt twijfelt of ze haar excuses moet aanbieden voor ‘haar gretige blik op het verschrikte, verlegen gezicht, haar vreemde genoegdoening’ toen ze met open kamerjas haar buurmeisje tegemoet was gekomen. En haar dagelijkse gang naar het graf van haar overleden man is fascinerend, met een fles jenever en twee glazen. Dat zijn mooie beelden.

Maar waarom die jenever driemaal kort op elkaar genoemd moet worden voor hij ĂŒberhaupt geconsumeerd gaat worden, dat is me een raadsel. Van Wieringen doet dat ook met namen: telkens benadrukken wie er loopt en spreekt, zo vaak dat het in de buurt komt van het Pinkeltjesyndroom (u weet wel, de gewoonte van meneer Dick Laan om zijn hoofdpersoon nooit met ‘hij’ aan te duiden, maar altijd met de volle naam, zie ook ‘Kurt Wallandersyndroom’). En ook op andere vlakken is er die overvloed. Iets na de opening beschrijft ze de meute moeders op het plein:

‘Hun opgewonden uitwisselingen op het schoolplein ratelen terwijl zij staat en wacht en toeziet hoe zij hun inmiddels hangerige vrijdagmiddagkinderen verzamelen. Hun armen om elkaar. Hun natte lippen op elkaars wangen. Ze ziet de glanzende ogen van haar buurvrouwen wel. Ze slaat de hare neer.’

Krachtig door de drie van elkaar losgeweekte werkwoorden ‘staat en wacht en toeziet’, door de werkwoordloze zinnen, en de korte aan het slot van het fragment. Maar slap, week bijna, door de vele bijvoeglijke naamwoorden (‘opgewonden’, ‘inmiddels hangerig’, ‘nat’, ‘glanzend’), en door dat heel specifieke ‘ratelen’. Het is net te poĂ«tisch, we willen door, er moet nog iets gaan gebeuren.

Aangenaam bizar

Dat zijn meteen mijn voornaamste bezwaren, de belangrijkste redenen waarom dit nog geen volgroeide literatuur is, pas het begin van een hopelijk groot oeuvre. Want er is veel goeds, aangenaam bizars aan de bundel. Het verstilde openingsverhaal, waarin een jongen in opperste concentratie van de brug duikt, komt tot leven in de laatste alinea:

‘De schatgraver kwam boven, naar lucht happend, spartelend als een karper en het was alsof het volle geluid bij het beeld werd gedraaid. Zijn kleine glinsterende kop bobte boven en zijn nog ingehouden omgeving, het pas begonnen dorp ademde uit. Het begon te leven, alsof er buiten beeld met een filmbordje was geklapt en met die felle tik het dorp pas werkelijk in het bestaan werd geroepen. De SRV-man reed aan, toeterde luid. De achterdeur van het cafĂ© klapte open en de kroegbaas viel naar buiten met een krat in zijn handen. De schoolbel klonk, een sliert kinderen zwermde van de trap uit over het schoolplein. Een slingerende jongen met fietstassen vol kranten schoof langs. Een andere stuurde een kruiwagen vol gemaaid gras van een erf. De bestelbus van de aannemer ontweek net een paaltje. Geagiteerd geschuif en gekletter met plastic tuinmeubilair klonk op uit een achtertuin. Het dorp met zijn bewoners was in beweging gezet. De kikvors spetterde te midden van deze kloppende, kwetterende wereld naar de zwemsteiger, wierp zijn glibberige, onbestemde oogst op het land, hees zich uit het water en liep vastberaden de brug weer op. Hij was pas net begonnen. Nog een keer. Terug naar beneden, daar beneden, tussen de wortels van de waterplanten, de rietvoorns, terug in de tijd.’

Dat is grandioos, hier wordt een wereld opgeroepen, en direct weer gescheiden van de eenling en zijn verlangen daarbuiten te staan. Het kenmerkt veel verhalen in deze bundel: mensen streven, ze kiezen nadrukkelijk een eigen route. Sommige van Van Wieringens personages laten zich ook wel slachtofferen door het lot, en die verhalen trokken me meteen minder, maar het totaal is droefstemmend realistisch. De winnaars en verliezers verliezen allemaal, ieder op zijn eigen manier.

En realisme is Van Wieringens andere troef. Dat klinkt gek als je net het bizarre in sommige verhalen hebt onderstreept, maar het doodnormale heeft iets ongeloofwaardigs. Ik bedoel: elk personage heeft zijn eigen stem. Soms te nadrukkelijk, ja, en soms ietwat karikaturaal (dan wordt het bizarre doodnormaal), maar dit zijn korte verhalen, dit is een debuut, dat moet kunnen.

‘”Baby,” riep Jan hem na. Edwin liep onverstoorbaar door en stak twee middelvingers naar ons omhoog achter zijn weglopende rug. ‘Schelm,’ riep Patrick, met gebarsten stem. “Schobbejak.” Hij schudde zijn vuist. “Boender.” Vonden wij grappig.’

Ik besluit met de vaststelling dat niet elk verhaal even sterk is, dat je behalve die sfeer van teloorgang een rode draad mist, maar dat doet niets af aan de grote kwaliteiten, de potentie van deze jonge schrijfster.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *