Maandag, 12 mei, 2014

Geschreven door: Beks, Neske
Artikel door: Gaal, Monique van

De Kleenex Kronieken

Vlaamse kronieken met lugubere trekjes

De Kleenex Kronieken is het romandebuut van de Vlaamse Neske Beks. Debutant is Beks allerminst; ze blijkt een artistieke duizendpoot. Toneel, theater, film, documentaires, presenteren, niets is haar te veel. Hoewel Beks al jaren in Amsterdam woont, blijft zij met de De Kleenex Kronieken dichtbij haar Vlaamse roots.

[Van deze roman verscheen een voorpublicatie op Athenaeum.nl]

Het eerste hoofdstuk is even stevig doorbijten, met het wellustige Vlaamse taalgebruik. De ik-persoon, Priscilla, een jonge vrouw van rond de twintig, gaat op sollicitatiegesprek bij de lokale bierfabriek. Beks heeft geen moeite met vieze praatjes. Onsmakelijke beschrijvingen van lelijke mensen worden afgewisseld met observaties als:  ‘Op het gedeelte van de hoorn waar ze in spreekt glimmen vettige condensvlekken rondom de gaatjes’  of ‘Dan zie ik voor me hoe deze man wellicht vanochtend in de vroegte zijn megakont in zijn micro-ruitjespantalon heeft gehesen, waarna hij zijn tas koffie drinkt, waarna hij kakdrang voelt.’

Luguber

Nu deze toon is gezet neemt het verhaal een flinke duik in het verleden, naar de tijd rond de geboorte van Priscilla. Wij leren begrafenisondernemer Toussaint kennen, net als Priscilla deels van Afrikaanse komaf. Krampachtig verhult hij zijn geheimen en beschaamdheid, terwijl hij gebukt gaat onder trauma’s die te maken hebben met het geallieerde bombardement op het dorp van 5 april 1943 (een waargebeurd drama waarbij honderden mensen het leven lieten), met zijn overleden moeder, en zijn gedesillusioneerde zus met wie hij geen contact meer heeft. ‘De dodenkelder van de Kliniek was de enige plek ter wereld waar Toussaint zich veilig voelde.’ Daar brengt hij zijn dagen door met het opkalefateren van de doden. Ook hier deinst Beks niet terug voor lugubere details:

Bazarow

‘Hij hield het oog van de naald in het tegenlicht, wurmde de draad er geconcentreerd doorheen en reeg het door haar neusschot en onderkin. Hij zag hoe het snot zich vergeefs aan het metaal van de naald hechtte en wist: straks is alles voorbij.’

Toch is de toon nu een stuk aangenamer, warmer en menselijker dan in het begin.  De lezer krijgt het gevoel dat het verhaal nu pas goed op gang komt. Tijdens het afleggen van de gestorvenen geeft Toussaint flarden uit zijn geschiedenis prijs: ‘Maar dat hij voor hun vader had gekozen, was iets dat ze [zijn zus] hem nooit vergeven had’. Tegelijkertijd vangt hij de verhalen op die de doden hem vertellen, en schrijft ze op met de veelbetekenende titel ‘De Kroniek van…’ Zijn eerste kroniek is die van Aram, de door een fietsongeval omgekomen moeder van Priscilla.

Cliffhangers

Priscilla groeit op bij haar zorgzame oma, ‘de bomma’, de moeder van Walter, haar Vlaamse vader. Priscilla is ongeveer vijf jaar als zij Toussaint ontmoet, en zij dikke vrienden worden. Vader Walter is kapper, net als velen met hem. Het is een van de weinige beroepen die je kunt kiezen in een dorp als het Vlaamse Mortsel Den Oude God. Kapper, of anders wordt het de bierfabriek of de Kleenexfabriek. Meer opties zijn er eigenlijk niet, ‘Wie bier of papier niet ziet zitten, kan beter het dorp uit.’

Elk nieuw hoofdstuk schijnt een klein lichtje op de onderlinge, doorgaans gespannen verhoudingen. Of ze worden juist nog een tijdje verzwegen, om de spanning erin te houden. Het verhaal zit vol cliffhangers. ‘Hardop vroeg hij zich af of Priscilla wist wat hem en haar verbond, en meteen toen hij het zich afvroeg, wist hij dat het antwoord negatief was. Er werd in het dorp nooit over vroeger gesproken.’ De lezer wordt nieuwsgierig, wil verder lezen.

Dicht op de huid

Het verhaal zit enorm dicht op de huid van de personages, en wij leren iedereen verrassend goed kennen, ondanks de vele geheimen die zij met zich meedragen. Geheimen die wij, hoe hard we ook doorlezen, niet allemaal te weten zullen komen. We zien het dorp als een vrij intolerante en bekrompen entiteit, waar bij nader inzien toch ook wel weer goed te leven valt:

‘Maar ondanks alle tegenslag bloeide de liefde tussen mijn beste vriend en mijn vader op. Na een korte collectieve weerzin stak het hele dorp zijn kop weer in het zand of keek de andere kant op, zoals het dat altijd al had gedaan.’

Ook Toussaints kronieken blijven een mysterie. Er wordt veel in verklaard en uitgelegd, maar spreken ze wel de waarheid? Ook Priscilla vraagt zich dit hardop af. ‘Maar als ge het zelf opschrijft, dan zijn het toch geen antwoorden?’

Beks heeft veel van haar eigen geschiedenis in haar boek verwerkt. Ook zij is half Afrikaanse, en groeide op in een Vlaams gezin in – jawel – Mortsel Den Oude God. Het verhaal lijkt op sommige momenten echt uit haar tenen te komen. Al met al is De Kleenex Kronieken een onderhoudend en goed geschreven boek waarin de Vlaamse mores op nu eens ontroerende dan weer curieuze wijze in beeldend Vlaams tot leven worden gewekt.