Vrijdag, 15 december, 2017

Geschreven door: Buwalda, Peter
Artikel door: Voskamp, Nico

De kleine voeten van Lowell George

De kunst van het oeverloze afdwalen

[Recensie] De columnist heeft een stressvolle baan. Het is zijn/haar taak dagelijks, wekelijks of maandelijks een afgerond stuk tekst van een vooraf bepaald aantal woorden af te scheiden om de speciaal hiervoor gereserveerde lege rechthoek in een krant of tijdschrift mee te vullen. Dat stuk moet bij voorkeur memorabel zijn, als het even kan geestig, het moet hout snijden, eventueel aansluiten bij de actualiteit, de lezer aan het denken (en aan het reageren) zetten, en het medium waar het in verschijnt, extra glans geven. Ga er maar aanstaan.

Peter Buwalda staat eraan. Met verve fabriceert hij columns die in de Volkskrant verschijnen en aan alle voorwaarden hierboven voldoen. Sterker, hij overtreft ze regelmatig. Dat is eenvoudig te constateren door zijn gebundelde columns te lezen. Het roept wel de vraag op: wat maakt zo’n stukje tekst zo goed?

Humor is een goede, niet noodzakelijk eerste voorwaarde. Buwalda past dat al in column numero uno in het boek toe: “In mijn eentje bewoon ik een groot, smerig kasteel. Daarom heb ik op advies van de Gemeente Reinigingsdienst een schoonmaakster in de arm genomen. Gisteren had Carmen haar eerste werkdag. Ze zou er om elf uur zijn. Op een laag vuilnis van anderhalve meter lag de kasteelheer kalm urinerend op haar te wachten. Ze was laat.” De groteske beeldspraak gemixt met enige overdrijving verzorgt hier een sfeer van humoristische wanhoop waarin de schrijver verkeert: hij tast ook maar wildweg in het duister.

Onvoorspelbaarheid helpt een column ook snel hogerop. Wederom in de boreling, slaat de schrijver een hilarisch zijpad in wanneer de schoonmaakster zijn adres niet kan vinden: “Geen idee wie lang geleden mijn straat van huisnummers heeft voorzien, maar het was geen genie. Of juist wel. Een wilde denker die precies hier, in deze eenvoudige wijk, het numerieke stelsel omver wilde werpen, wat hem uitstekend gelukt is, want niemand kan er iets vinden, ook TomTom niet.”

Bazarow

Dan de kunst van het afdwalen, misschien wel de grootste verdienste van een begaafd columnist. Die kunst maakt een schrijfsel wispelturig, lichtvoetig, verrassend en pittig. Hoe onvoorstelbaar de verleiding ook aan mij trekt deze hele bespreking vol te plempen met relevante citaten, beperk ik me toch tot slechts één voorbeeld. In “Uitboorling” bezoekt de schrijver de tandarts. Toevalligerwijs komt er juist een “migrantenjongen” uit de behandelkamer. De arme jongen kampt met een pijnlijke kies, die bij de kaakchirurg verder verwijderd zal moeten worden. Medelijden neemt direct de overhand, alsmede wilde fantasie:

“Was ik nu maar Gerard Reve. Ik zou het gewonde woestijnprinsje met een ernstig gezicht in mijn bakfiets tillen, zijn hagelwitte trimschoentjes slapjes over de rand, en hem hees toeprevelend naar mijn afgelegen kasteel vervoeren. Daar, op een tuinstoel in het koetshuis, zou ik hem, voorzien van een slabbetje en een glaasje kraanwater, met een roodgloeiende waterpomptang verlossen van zijn zieke kieswerkje, waarna hij nog een week inpandig moest blijven, voor een volledig herstel, maar ook om mij, zijn wrede chirurgijn, langdurig in natura schadeloos te stellen voor de genoten medische zorg.”

Peter komt er wel, die conclusie kunnen we zonder al te grofschalige risico’s wel poneren. Mij bezorgt hij in elk geval met zijn ludieke, armenzwaaiend om zich heen wiekende taal een brede glimlach. En dan prijs ik nog niet eens het slotstuk van het boek. Laat ik het zo zeggen: als u van blues houdt, is dat net iets voor u. Zo niet, dan ook.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles