Maandag, 16 november, 2015

Geschreven door: Benzakour, Mohammed
Artikel door: Gaal, Monique van

De koning komt

Op zoek naar een bruid voor het leven

Mohammed Benzakour staat bij het Nederlandse publiek bekend als een sociaal bewogen spreker en schrijver; met name thema’s als integratie en culturele misstanden hebben zijn volle aandacht. Voor zijn boek Yemma, over het leven en het ziekteverloop van zijn moeder, won hij de E. du Perronprijs 2013. Nu is daar zijn eerste roman, De koning komt,waarin hij tegen alle Marokkaanse mannen die een bruid in het land van herkomst hopen te vinden, lijkt te willen zeggen: Bezint eer ge begint!

‘Er zijn miljoenen meisjes op de wereld die met me willen trouwen, zeker weten, we moeten elkaar alleen zien tegen te komen in dit universum. Het universum is zo groot als je zelf wil.’ Toch lijkt Moebdi zijn eigen universum klein te willen houden: uitgerekend in zijn geboortedorp Ouled Ali vangt hij zijn zoektocht aan. Omdat de traditie dat zo wil.

Tot een zinnig gesprek met een kandidaat komt het eigenlijk nooit. Moebdi bespiedt hen, besluipt hen, vernedert hen. De achtervolgingsscènes worden eigenlijk alsmaar treuriger:

‘Als ik naast haar sta, haal ik diep adem en fluister: “Zeg, liefje, zou je geen peultjes voor ons willen maken op ons eiland?” Ze werpt me een blik toe alsof ik haar een doos kippenkak voorhoud. Ze deinst vier stappen van me vandaan. Ik beweeg me weer haar kant op. “Je houdt toch wel van peultjes? Met een klontje schapenvet, een houtkacheltje, ons zoontje op je rug gebonden. Is dat niet prachtig?”

Trouw

“Wie ben jij?! Ga weg!” sneert ze.

Verstijfd blijf ik staan. Het volgende ogenblik denk ik: ik laat me niet wegjagen. Ik laat me verdomme niet wegjagen.’

Geeft zij geen sjoege dan is zij de snol, de hoer, de slet. Gaat zij vroom gekleed dan trakteert hij haar op een ‘erotische likbeweging’. Hij zoekt een ‘mokkeltje dat kwinkelerend m’n broeken strijkt’, een eerzaam meisje, maar let wel, ‘voor mij is de kont allesbepalend.’ Vrouwvriendelijk is De koning komt allerminst. Die vruchteloze vrouwenjacht lijkt bovendien ook Moebdi’s eigenwaarde niet ten goede te komen: ‘Vandaag ben ik niet één wijf achternagelopen. Niet één keer heb ik mezelf verlaagd tot hond.’

Teruggeworpen op zichzelf

De vaak kinderlijk naïeve, doch ook enigszins poëtische gesprekken die Moebdi voert met ezelin Gadoezj – het enige vrouwelijke personage in het boek met wie hij als gelijken praat – boeien meer. Gadoezj symboliseert heel treffend Moebdi’s zelfreflecterende ik: ‘Nou, Moebdi, ik wens je natuurlijk alle zegen en geluk van de wereld, maar ik vrees dat je bezig bent met een stupide onderneming.’ Maar op zijn mooist is het verhaal op de momenten dat Moebdi géén meisje zoekt, en hij – op zichzelf teruggeworpen – door de ‘schrale, armoeiige landstreek’ struint,

‘De omstandigheden waarin ik verkeer bevallen me steeds beter. Al heb ik nog geen bruid gevonden, ik voel me tevreden. Veel heb ik in wezen niet nodig, merk ik, een huis in een dorp, wat kleding, voedsel, plankje boeken, een goocheme ezel om de hoek. Soms reis ik met de taxi, soms te voet door beemd en veld, soms met Gadoezj, soms alleen. Soms slaap ik onder de blote hemel.’

Liever dan meiden achtervolgen wandelt Moebdi met Gadoezj door het mooie berglandschap, of luiert hij wat op het dakterras van het familiehuis, zijn eigen ‘kraaiennest’, vanwaaruit hij zijn te volgen tactieken overdenkt. Eigenlijk zou hij willen leven als Robinson Crusoe, over wiens avonturen hij dagelijks leest. Ook Crusoe had gezelschap van een pratend dier, een papegaai.

Lijden aan traditie

De lezer reist mee met Moebdi door het Rifgebergte – de geboorteplek van Benzakour –, waar de oorspronkelijke, primitieve huizen plaats hebben gemaakt voor pastelkleurige ‘schuimblokken’ met meerdere verdiepingen, gebouwd met geld dat in Europa is verdiend. Een enkele keer trekt Moebdi naar de ‘boosaardige stad’, om de grotere keus aan meiden. Hier wordt flink wat afgescholden, en kif, alcohol, bedrog en seksisme is al wat de klok slaat. Verbijsterd is hij, over de lelijkheid van de stad.

Ondertussen heeft Moebdi behalve een trouwplan ook een ‘tasjesplan’ opgevat. De plastic tasjes die overal rondslingeren zijn hem een doorn in het oog, en hij is vast van plan ze op te ruimen voordat de koning komt. Want het gerucht gaat dat de koning een bezoek aan het Rifgebied zal brengen. Niemand weet wanneer. Net zo min als de lezer weet wanneer de vorst in Moebdi nou eens eindelijk op zal staan. ‘Word een koning, jongen’, moedigt Gadoezj hem wijselijk aan.

In De koning komt laat Benzakour op toegankelijke en beeldende wijze zien hoe een individu het aanvankelijk nog aflegt tegen de kracht van de conventies. ‘Je lijdt aan traditie.’ zegt Gadoezj, ‘Binnen een traditie speel jijzelf geen rol. Het is voorgekauwd voedsel dat jij als een papje maar hoeft door te slikken.’ Vervolgens maakt Moebdi een ontwikkeling door, die – tenminste, zo voelt het voor de lezer – de schrijver met enige urgentie heeft willen beschrijven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *