Woensdag, 19 augustus, 2009

Geschreven door: Jaeggi, Adriaan
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De laatste duik van de dag

Jaeggi’s gooi naar onsterfelijkheid

Vanochtend prima, na de yoghurt iets minder (ik ga het morgen bij een halve liter houden) en nu min of meer alsof er een hippopotamus op me is gaan zitten, maar dat is altijd zo rond een uur of elf, dat klaart zo wel weer op,’ verklaarde Adriaan Jaeggi in zijn een-na-laatste column in Het Parool, en met die columns nam de schrijver, dichter, criticus afscheid op een hem passende manier: licht, scherp, goed geschreven. Maar nu, een jaar na zijn dood, is er een tweede afscheid: De laatste duik van de dag herneemt die columns en vele andere, en recensies en kortverhalen, als staalkaart, als overvloedig eerbetoon. Maar het bevat ook de eerste pagina’s Jaeggi’s onvoltooide roman. Daar nemen we afscheid van een groot romancier.

Pluto zou die roman gaan heten, of Nog is Polen niet verloren, en het is het verhaal van de onsterfelijke Benjamin Pluto. In deze eerste pagina’s stelt de grote man tegenover een groot publiek bitter vast dat niet doodgaan geen lolletje is. Voorspelbaarheid, verveling, relativering overschaduwen de lol van altijd een tweede kans, en met steeds grotere ervaring leven. Daar botst het algemene beeld met een doordacht concept van onsterfelijkheid, een intrigerende paradox die extra nadruk krijgt met een plots opduikende herinnering van Pluto.

‘Er was een spel met de boten die de haven binnenvoeren: lange, diepliggende vrachtboten voor de werkhaven en glanzende blanke jachten voor de jachthaven, als er maar een klein rubberbootje of een sloep aan een touw achter bengelde. Je wachtte tot het juiste moment, niet te vroeg om niet in de draaikolk van de schroef te raken, en dan legde je je hoofd in het water en zwom blind drie, vier slagen om het bootje te bereiken.’

Timing, daar gaat deze herinnering over, en tijdloos geluk, ideeën die diezelfde Pluto zojuist afdeed als nonsens. In een paar pagina’s weet Jaeggi een interessante spanning op te bouwen, die gezelschap krijgt van een wat plattere spanning: Pluto ontsnapt aan zijn beveiligers – of bewakers? – en komt op het einde van dit fragment voor een groep gewapende mannen te staan. Jaeggi’s vierde was nog niet af, ook deze pagina’s zijn niet perfect, met hun mix van jongerentaal en klassieke namen, maar hij was wel veelbelovend.

Wordt Vervolgd

Wel af zijn enkele verspreid gepubliceerde verhalen, waarvan ‘Nora’, dat eerder al in het bibliofiele Drie liefdesgeschiedenissen (met Tommy Wieringa en Jaap Scholten) verscheen, een van de beste is. Nora, zo’n typisch Jaeggi-personage uit de klasse waar geld geen issue is en luxe een vanzelfsprekendheid, moet de boodschappen voor een barbecue halen maar heeft al snel te veel wijn geproefd om dat gecoördineerd te doen. Als het boodschappenwagentje tegen een lage, donkere auto wegslipt en Nora door een noodzakelijk dutje niet klaar is voor de belangrijke gasten van haar man, zie je het met genoegen misgaan. In ieder geval voor haar bazige echtgenoot – Nora zelf wordt die middag gered, door de eigenaar van de lage donkere auto.

‘“Wat een leukerd,” zei een stem naast haar.
Ze knikte afwezig. “Het is een echte rashond,” zei ze.
“Ik bedoelde eigenlijk je zoon,” zei Flip.
Nora voelde het bloed weer naar haar gezicht kruipen.
“Ik ook,” probeerde ze, na een paar panische seconden. Gelukkig lachte hij.
“Heb je al wat te eten gehad?” vroeg ze. Ze wees naar de barbecue.
Hij schudde zijn hoofd, maar zonder haar blik los te laten.
“Ik ben vegetariër.”’

Vóór deze prozastukken zijn (poëzie)recensies uit Het Parool opgenomen, columns over schrijven uit De Groene Amsterdammer, over liefde in Volkskrant Magazine en eerdergenoemde laatste columns uit Het Parool. Die had ik wel kunnen missen. Columns, en die van Jaeggi zijn daar ben ik bang geen uitzondering op, laten zich het beste lezen als vermakelijk, actueel intermezzo in een tijdschrift of krant – niet in opeenvolging, jaren later in boekvorm. Het is nog steeds raak, hoor ‘een slok water [die] smaakte naar kleingeld dat lang in een warme hand heeft gelegen’, en relaties ‘die nooit langer duurden dan de looptijd van het gemiddelde Talpa-programma’, maar het is gezegd in een inmiddels anachronistische, iets te korte context. Om Jaeggi’s favoriete motief van het zwemmen op te pakken: tientallen malen vijftig meter in het binnenbad is niet te vergelijken met een tocht over het kanaal. Dat is een verhaal, van uithoudingsvermogen, wilskracht, zwakke momenten, heroïek, zout water en pure zeelucht. De eerste paar honderd meter op weg naar de Britse kust die Pluto nu is, is al meer een tijdloos verhaal dan al die columns samen.

Wat nu? Jaeggi is er niet meer, we hebben zijn laatste woorden gelezen, en meer, wat rest ons? Zijn romans herlezen, en zijn tips opvolgen. Wat dat betreft citeren Wieringa en Scholten in hun voorwoord op deze bundel hem uitstekend: ‘Lees in godsnaam F. Scott Fitzgerald. In elk geval Tender is the Night. Zijn beste boek volgens mij, nog beter dan The Great Gatsby. En als je de hand kunt leggen op The Notebooks – een schatkamer. En neem kinderen.’ Vooruit dan maar, op naar onsterfelijkheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *