Woensdag, 21 november, 2018

Geschreven door: Herwig, Malte
Artikel door: Dijk, Wouter van

De laatste lichting

De overgeblevenen van de Flakhelpersgeneratie en hun onverwerkte verleden

[Recensie] In De laatste lichting vertelt historicus Malte Herwig het verhaal van de laatste lichting Duitse soldaten van de Tweede Wereldoorlog, de zogenaamde ‘Flakhelpers’ die in de rokende puinhopen van Berlijn moesten helpen met het bedienen van het luchtafweergeschut. In Duitsland heeft deze generatie later een leidende rol op zich genomen bij het tot bloei laten komen van de democratische Bondsrepubliek.

De schrijver studeerde geschiedenis en politicologie in Mainz, Harvard en Oxford, waar hij in 2002 ook promoveerde. Hij schrijft voor de SĂŒddeutsche Zeitung en was eerder redacteur van Der Spiegel. Herwig’s doel met dit boek is niet het met de beschuldigende vinger aanwijzen van nu bejaarde mensen die eens lid waren geweest van de NSDAP (Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei). Hij wil begrijpen hoe het mogelijk was dat deze generatie, geboren in de jaren 1925/26/27 en vanaf de wieg opgegroeid in de indoctrinerende nazimaatschappij, zichzelf na de oorlog als het ware de-nazificeerde. Deze mensen die geen democratie gekend hadden, omarmden de democratische principes van de naoorlogse Bondsrepubliek en liepen zelfs voorop met het uitdragen en ontwikkelen daarvan.

Hiervoor start hij zijn verhaal met het omvangrijke ledenarchief van de NSDAP, dat ondanks de late poging van de SS (SchutzStaffel) het te vernietigen, de oorlog overleefde. De explosieve lading van dit archief en de pogingen van Duitse naoorlogse politici compromitterende lidmaatschappen onder de pet te houden, hebben ervoor gezorgd dat er tot op de dag van vandaag nog prominente ex-leden bekend worden, met naderhand alle lastige vragen vandien. Ook Herwig heeft in het archief gespit en vervolgens geprobeerd door middel van het aangaan van een gesprek met tal van na-oorlogse bekende ex-NSDAP’ers het antwoord te vinden op de vraag waarom ze bij de partij gingen, en vooral, waarom ze dit lang verzwegen en ontkend hebben. Enkelen ontkennen nog steeds het vrijwillige verzoek tot opname in de partij getekend te hebben. Schrijver Erich Loest, componist Hans Werner Henze, politicoloog Iring Fetscher en oud-directeur van het Goethe-instituut Hilmar Hoffmann zijn enkele van de in het boek bezochte en onderzochte personen bij wie Herwig probeert te begrijpen hoe de opname in de NSDAP tot stand kwam. Reacties van de betrokkenen variĂ«ren van oprecht verbaasde acceptatie van de gevonden lidmaatschapskaart, tot volhardende ontkenning met de gedachte dat de partij ongevraagd leden inschreef.

Daarnaast reconstrueert Herwig de concurrentiestrijd die de inlichtingendiensten van de BRD (Bundesrepublik Deutschland) en DDR (Deutsche Demokratische Republik) met elkaar voerden in het openbaar maken van belastende ‘bruine’ Nazibewijzen over bestuurlijke kopstukken in het andere kamp. Ook legt hij uitvoerig bloot op welke wijze de regering van de BRD er telkens weer voor zorgde dat de overdracht van het NSDAP-archief, dat in het bezit was van het Amerikaanse Berlin Document Center (BDC) telkens weer werd uitgesteld, vanwege de belastende gegevens die er in het archief te vinden waren. Dat deze traineertactiek zeer succesvol was, blijkt wel uit het feit dat de archieven pas in 1994 overgedragen werden, terwijl de Verenigde Staten ze al begin jaren ’60 aan de BRD wilden overdoen.

Boekenkrant

Na de beknopte beschrijvingen van het NSDAP-verleden van enkele na-oorlogse prominenten gaat Herwig uitvoeriger in op twee gevallen;  die van de schrijvers GĂŒnter Grass en Martin Walser. Hij laat zien hoe Grass zijn leven lang worstelde met de schuldvraag, van hem, maar ook van zijn generatie. Te jong om bewust en actief meegedaan te hebben aan de Nazi-misdaden, maar te oud om alle vormen van medeplichtigheid zonder meer terzijde te kunnen schuiven. Door analyse van Grass’ werk weet Herwig deze innerlijke strijd op prachtige wijze te verwoorden, en komt de tragiek van deze junge die ĂŒbrig blieben des te harder bij de lezer binnen.

Herwig sluit af met de opmerking dat de prestatie van de Flakhelpers juist gewaardeerd moet worden, omdat hun bijdrage aan de democratie ontstond onder de meest ongunstige omstandigheden, na in-en-in doordrenkt te zijn met Nazi-ideologieën in hun jeugd kozen zijn bewust voor de democratie, en probeerden door de nieuwe staat zo goed mogelijk van dienst te zijn de morele schuld die ze voelden af te lossen. Herwigs boek kan dan ook gezien worden als een rehabilitatie voor velen van deze generatie. Daarbij biedt zijn boek een bijzonder stukje geschiedschrijving over een onderwerp waarin in ieder geval buiten Duitsland weinig aandacht voor is. De na-oorlogse geschiedenis van het NSDAP-archief wordt boeiend verhaald, en ook de naspeuringen van de inlichtingendiensten naar het archief in de Koude Oorlog zijn vermakelijk. De speurtocht naar het fundamentele hoe en waarom van het NSDAP-lidmaatschap die hem langs tal van oude eminenties leidt is echter aanzienlijk interessanter. Het wordt de lezer duidelijk uit Herwigs gesprekken met zijn objecten van studie hoezeer de Duitse maatschappij op totalitaire leest ingericht was toen deze mannen opgroeiden. Het NSDAP-lidmaatschap was in vele gevallen slechts de zoveelste logische stap in een kinderleven, na het Jungvolk en de Hitlerjugend. Desalniettemin was lidmaatschap niet verplicht, maar kon de sociale druk lid te worden natuurlijk groot zijn. Zoals uit Herwigs boek blijkt, kunnen velen van de laatste oorlogsgeneratie nog steeds niet met hun verleden in het reine komen, en zijn ontkenning en verdringing nog op grote schaal verspreid. Het debat in Duitsland over de oorlog is in ieder geval ook na zeventig jaar nog lang niet uitgewoed. Herwig heeft er met zijn boek in ieder geval voor gezorgd dat we Hitlers jongste partijgenoten een beetje beter begrijpen, en dat is voor de generaties van nu die met afstand naar de oorlog kunnen kijken niet onbelangrijk.

Eerder verschenen op Herditas Nexus