Dinsdag, 7 augustus, 2018

Geschreven door: Daniëls, Wim
Artikel door: Zunneberg, Peter

De lagere school

Lachen om de lagere school

[Recensie] Ik was zes jaar toen ik in Hengelo (Overijssel) naar de Groen van Prinstererschool ging. Genoemd naar de negentiende-eeuwse staatsman van antirevolutionaire huize en dus een op en top protestants-christelijke school.

Schrijver Wim Daniëls zat op dat moment zo’n 160 kilometer verder op, in Aarle-Rixtel in de hoogste klas van de St. Jozefschool, genoemd naar een heilige en dus katholiek. Een wereld van verzuild verschil zou je zeggen. Maar toch eigenlijk ook weer niet.

Onlangs publiceerde Daniëls De lagere school, waarin hij inzoomt op het lagere schoolonderwijs van vooral de jaren ’50, ’60 en ’70 van de vorige eeuw. Ondertitel van het boek: Toen bijna alles nog heel anders was. In 32 korte hoofdstukken gaat Daniëls in op allerlei zaken uit de dagelijkse schoolpraktijk. Dat is leuk om te lezen, omdat het onherroepelijk appelleert aan hoe je zelf die tijd beleefd hebt. Want zo heel veel verschil was er niet tussen zijn katholieke Brabant en mijn protestantse Twente. Hoewel zes jaar jonger ben ik ook begonnen met het schrijven met een inktpen (geen kroontjespen) en stapten wij pas in een van de hoogste klassen over op een balpen. Wij deden dezelfde spelletjes op het schoolplein, waarbij we bij het knikkeren moesten tuten op bikkels en supers. Ik mocht in de hoogste klas geregeld het geld tellen dat we hadden binnengehaald voor de zending en dat zelfs wel eens naar de bank brengen. Kortom het boek was voor mij, en ongetwijfeld voor velen van mijn generatie, maar ook een generatie ouder of jonger, een feest van herkenning. Het is hetzelfde gevoel dat een bezoek aan het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht teweegbrengt.

En precies daar zit ook de grootste tekortkoming van het boek; het blijft oppervlakkig met veel anekdotes en het mist diepgang en duiding. Daniëls baseert zich op zijn eigen herinneringen en die van anderen, die via Facebook konden bijdragen met hun eigen verhalen. Bij de verwerking van die herinneringen is Daniëls niet al te selectief geweest. Sappige anekdotes die weinig met het thema van het hoofdstuk te maken hebben, laat hij graag staan. Zo lezen we in het hoofdstuk over verkeersles en verkeersbrigadiers een persoonlijke herinnering over het lopen naar school, de overtocht met de pont langs oude munitieschepen en hoe de onderwijzeres, een non die aan een pinguïn deed denken, daar op reageerde. Vermakelijk, maar absoluut niet ter zake. Ook laat hij zich af en toe verleiden tot gebabbel. Wie iets wil uitleggen over BLO-scholen en LOM-onderwijs, heeft een inleiding met puberale grappen over de afkorting van de Katholieke Universiteit Tilburg echt niet nodig.

Archeologie Magazine

Wat ik vooral mis in het boek is onderbouwing. Waarom gingen veel dingen zoals ze gingen? Opvallend is dat juist het Onderwijsmuseum, dat ik al even noemde, ontbreekt in de lijst van Daniëls’ bronnen. Diverse medewerkers van dat museum hebben onderzoek gedaan naar de herkomst van fenomenen die Daniëls beschrijft. Zo schreef Jacques Dane ooit een stuk over schoolzwemles met daarin aandacht voor een goedkoop alternatief: droogzwemles.

Meer aandacht voor dergelijke opmerkelijke zaken had het verschil kunnen maken tussen een best wel leuk boek en een goed boek. Veertig, vijftig of zestig jaar nadien lezen hoe dingen gingen doet vooral een beroep op nostalgie, niet op begrip van of inzicht in de ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs. Nu nog lezen waarom dingen toen zo gingen, als volwassene inzien wat je als kind deed, maar niet per se begreep, daaraan heeft Daniëls te weinig aandacht besteed. Dat kan een bewuste keuze van de auteur zijn geweest. Ik vind het een gemiste kans.

—

Eerder verschenen op Didactief