Donderdag, 19 februari, 2009

Geschreven door: Scheeren, Anke
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De mooiste dagen zijn het ergst

Nooit meer appelsap in miniverpakking

Als op 10 februari 1992 een Chinese lading van 29000 eendjes en andere badspeeltjes losraakt, midden op de Stille Oceaan, begint een reis die nu al decennia duurt. Een reis alleen, want die duizenden bontgekleurde stipjes op een oneindige watervlakte werden al snel uiteengeslagen. Met onbekende bestemming, solo op de stroming. Het is een prachtige metafoor voor gedeelde eenzaamheid, maar Anke Scheeren (1982) spelt dat niet uit. Haar romandebuut De mooiste dagen zijn het ergst blinkt uit in bijzondere detailbeelden, kleine verhalen die samen de geschiedenis vertellen van een eenzame studente.

Dat is Lena. Lena staat op het punt haar moeder te verliezen. De Franse arts – moeder was in Toulouse op een rotflatje gaan wonen, God leeft nu eenmaal ook daar, en bleek een hersentumor te hebben – zegt dat het een kwestie van uren is. En dan neemt Lena de trein, want haar broer heeft vliegangst, en de trein naar Toulouse doet er lang over, zo lang dat het moeite kost je ogen open te houden om je station niet te missen. Bijna mist ze alsnog het station, als ze nadenkt over de badeendjes die ze net met de sneeuw naar beneden ziet vallen – ‘Dear Curtis, the ducks are invading France’. Op tijd uitgestapt, toch te laat om moeder levend aan te treffen. In een wachtruimte in het ziekenhuis gaat ze naast de vader van een kankerpatiëntje zitten en deelt met hem haar pakjes appelsap.

Lena heeft oog voor kleine dingen, en afkeer van gewone, en heeft aan sommige emoties geen behoefte. Als ze terugkomt uit Toulouse, besluit ze een feestje te geven. Als haar vriendje Michel protesteert, maakt ze het uit. Ze trekt in het verlaten voormalig ouderlijk huis, dat doorbuigt door lekkages, en als ze maar niet slaapt vraagt ze de huisarts om slaappillen, ook al doen ze je alleen vergeten dat je niet slaapt. Hij adviseert haar ook maar meteen in therapie te gaan. Haar therapeute, die ze van een arbeidsverleden bij McDonald’s verdenkt, geeft haar tips voor meer structuur in haar leven, wat resulteert in een apart kamertje in het schimmelpand, pardon schimmelparadijs, met de dingen die ze heeft weggegooid.

‘Op de planken heb ik rijen weckpotten opgesteld, elke pot heb ik zo gedraaid dat de sticker met inhoudsbeschrijving goed te zien is. Michel zet een stap naar de kast. Hij begint linksboven. Bij de A. Ambitie. Ansichtkaarten van plaatsen waar ik nooit heen zal gaan. Appelsap in miniverpakking.
“Wat is er mis met appelsap in miniverpakking?”’

Wandelmagazine

Lena neemt het heft weer in handen. Ze belt Michel weer op, ze begint Curtis Ebbesmeyer te mailen, de oceanoloog die de badeendjes volgt. Er komt een begin van structuur, van duiding, al is het nog niet het begin van geluk. Maar ja: ‘”Ge-luk. Klinkt meer als een traditioneel Zweeds gerecht. Of een middeleeuwse ziekte.”’ Dan duikt de nalatenschap van haar vader op, en een schoenendoos vol onbeantwoorde brieven van haar moeder. Door-en-door romantisch, eenzaam, neurotisch, van een meisje als Lena tot een perfectioniste die het leven van haar kinderen vormgeeft. De eenzaamheid van de vrouw die alleen en ver weg van iedereen stierf krijgt een geschiedenis, het verhaal raakt rond.

Maar wat is het voor verhaal? Zijn dode ouders, dolende kinderen, naïevig-grappige belevenissen niet eenvoudig standaardmateriaal voor beginnende schrijvers? Het lijkt bijna de ideale combinatie van een bekend, dus goed te beschrijven milieu en een schokkende gebeurtenis om dat milieu en de personages op te schrikken. De grens tussen ergernis en ontroering, tussen flauw en geestig, is dun, maar Scheeren zit aan de goede kant. Ze heeft oog voor het absurde en is sober in haar stijl. Ze schept eenheid met sfeer, herhaling – badeendjes, appelsap – en wekt humor op door te variëren. Ze maakt de eenzaamheid voelbaar in de al te feilbare relaties van deze mensen, maar laat je toch half-half verliefd worden op hun pogingen tot beter. Scheeren wekt bewondering.

‘Je pakte mijn hand vast en je leunde tegen me aan alsof ik het grote lichaam was en jij het kleine. Ik had die jurk aan, jij die jas. Je bracht me naar huis, want dat hoorde zo, vond jij. […] We kleedden elkaar uit: jij die jurk, ik die jas.
‘s Ochtends zei je opnieuw dat het nooit iets tussen ons zou worden. Maar ik had de aarzeling in je stem wel gehoord.’

De badeendjes zijn in Australië en Zuid-Amerika aangekomen, en worden inmiddels bij de kust van Groot-Brittannië verwacht. Het zijn collector’s items geworden, die meer dan duizend dollar op zouden leveren. Door Anke Scheeren hebben ze nu ook Nederland bereikt, en met hen een onbestemd, eenzaam gevoel dat al troost zou ontlenen aan een door zout gebleekt eendje.

DIT BOEK IN DE KRANTEN
Wat voegt de krant toe aan de kritiek? Recensieweb leest deze weken de recensies in de kranten, in de aanloop naar de verdwijning van ‘Cicero’, de boekenbijlage van de Volkskrant.

Een boek is meer dan een boek, het is een exponent van zijn tijd en van een oeuvre, en dat mag je terugzien in de recensies. Het boek is tevens het werkstuk van een persoon, moet je dat terugzien in recensies? Die kwesties komen aan de orde bij het kritisch lezen van de krantenrecensies van Anke Scheerens De mooiste dagen zijn het ergst, misschien wel meer nadrukkelijk omdat het een debuut is. Er is geen oeuvre om naar te verwijzen, we kennen deze schrijver nog niet, dus hoe leiden we het boek in, hoe duiden we het in een groter geheel? In drie kranten – de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw – zien we drie verschillende strategieën: biografische details gebruiken, er een methodisch punt van maken dat vergelijking het boek geen recht doet, en de auteur zelf laten spreken.

‘Even leek het er op dat we bij de neus genomen werden. Het curriculum van Anke Scheeren (1982) vertoonde zoveel bijzonderheden dat het argwaan wekte. Bestond ze wel echt, deze jonge promovenda in de ontwikkelingspsychologie? Was ze geen verzinsel, deze winnares van kleine maar fijne literaire aanmoedigingsprijzen? Een luchtspiegeling? Een hobbyproject van redacteuren, puur en alleen voor het vermaak?’

Zo introduceert Daniëlle Serdijn (de Volkskrant) de debutante. ‘Anke Scheeren is bijna te mooi om waar te zijn.’ Ze is bovendien ‘fris van blik, goudgelokt en met een paar wetenschappelijke publicaties over autisme op zak’. Het is de inleiding bij een lovende recensie die Scheerens ‘lichte toets, heldere compositie, karakteristieke dialogen en een goed gebruik van motieven’ prijst, en die te snelle associaties met Grunberg (zoals Revu dat blijkbaar heeft gedaan), Dimitri Verhulst, Nelleke Zandwijk, en Gerard Reve afwijst.

Serdijn keert in haar slotalinea terug naar Scheerens literair-academische dubbelgeschiedenis en refereert dan aan auteurs met vergelijkbare carrières, als Fresco en Februari. Een ongelukkig slotakkoord, dat lijkt te suggeren dat vergelijking op basis van het beroep van de auteur relevanter is dan die op basis van stijl en thematiek. Daarmee doet ze de inhoudelijkheid van de rest van de recensie nog erger tekort dan door te besluiten met het onvervalste cliché dat de verwachtingen ‘hooggespannen’ zijn.

Maar godzijdank, niet vergeleken met Grunberg of Reve. Arjen Fortuin, in NRC Handelsblad, legt uit hoe pijnlijk dat kan zijn:

‘Geen giftiger geschenk voor een goede debutant dan de vergelijking met een grote voorganger. Zo’n op het oog begerenswaardig etiket wekt verkeerde verwachtingen, verleidt tot vreemde interpretaties en is maar moeilijk af te krabben. Nog los van de mogelijkheid dat iemand toch níet de nieuwe Reve of Grunberg blijkt te zijn.
In het geval van Anke Scheeren (1982) is er nog een reden om De mooiste dagen zijn het ergst helemaal op zichzelf te beoordelen, los van literaire voorgangers. Niet omdat die voorgangers er niet zouden zijn, maar omdat het boek zich precies afspeelt in de levensfase waarin de vertelster bezig is zich van haar eigen voorgangers te ontdoen. ‘

Het is een sympathieke redenering, maar hij sluit niet helemaal– waarom zou de positie van de vertelster, in het boek, iets zeggen over een vergelijking met andere auteurs, buiten het boek? Sterker: verdient niet elk boek in de eerste plaats een toetsing aan de eigen kwaliteitseisen, en pas in tweede instantie aan stromingen en invloeden, oeuvres en omstandigheden?

Fortuin gaat enthousiast in op de ‘scherpe formuleringen’ en ‘scènes […] die het sentiment dicht naderen, maar daar dankzij de toon van de vertelster toch aan ontsnappen’. Hij concludeert, en daarin weet hij zeker het cliché te vermijden, na de beschrijving van een aangrijpende scène: ‘Het is een beeld dat je tot lang ná het lezen van deze roman bijblijft. Een schrijver van halverwege de twintig die dat in haar debuut bewerkstelligt, verdient het om vooral met zichzelf vergeleken te worden.’

Er is een derde strategie, een ontwijkende, die ondertekende zelf heeft gebruikt, en die ook terugkomt in de recensie van Jann Ruyters in Trouw. Gewoon niet over beginnen, die invloeden en vergelijkingen, begin met die eendjes. Maar ook Ruyters gebruikt haar bronnen. Niet de Revu, die haar met Grunberg vergeleek, maar Scheerens zelfverklaarde invloeden in de Volkskrant duiken op:

‘Op haar bij de Volkskrant ingeleverde lijst van beste boeken zette de 24-jarige schrijfster de klassieke adolescentieromans ’The Catcher in the Rye’ en ’The Bell Jar’ op de tweede plaats. In luchthartig cynisme herinnert ’De mooiste dagen zijn het ergst’ aan beide boeken; in de onderstroom van dreigende gekte nog het meest aan dat van Plath.’

Het is een opluchting dat de auteur van dit ‘veelbelovende debuut’ in ieder geval zelf weet wie haar beïnvloed heeft, en dat de recensente dat kan beamen. Maar literaire kritiek is het niet.

Of wel, en had ik het gewoon niet goed begrepen? Het is, samenvattend, niet de enige vraag die deze recensies oproepen. In hoeverre moet een recensent in debat gaan – met Revu over de vergelijking met Grunberg? In hoeverre heeft de biografie van een auteur iets te maken met haar literaire kwaliteiten? In hoeverre moet een debuut anders beoordeeld worden dan een tweede, derde of vijftiende boek? En moet er een moratorium komen op het gebruik van torenhoge verwachtingen en veelbeloftes?

Wat voegt de krant toe aan de kritiek, vragen we ons deze weken af. Dat is toch nog steeds behoorlijk wat: een poging te vergelijken met andere Nederlandse en buitenlandse auteurs en een poging een algemene regel voor literaire kritiek te verwoorden. Los van alle kleine kritiekpunten is dat een grotere ambitie dan de tot nu toe enige webrecensie had. Maar voor het besproken boek is er vooral één grote bonus: eensgezinde lof.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *