Dinsdag, 6 april, 2021

Geschreven door: Boudens, Luc
Artikel door: Verplancke, Marnix

De oogappel

Altijd weer die eigenliefde

De eerste zin

“‘Een gat is een gat,’ zei Tomtom en uit zijn zelfgenoegzame houding leidden we af dat hij vannacht niet meteen begaan was geweest met de staat van ons aller ozonlaag.”

Recensie

Fitou is een dertigjarige schrijver die ‘ziekenfondsliteratuur’ liever aan anderen overlaat en smacht naar ‘teksten met kloten’. Alleen vloeien de getestikuleerde zinnen de laatste tijd steeds moeizamer uit zijn pen. Zijn geliefde heeft hem de wacht aangezegd, waarna hij zijn verdriet is beginnen verdrinken in sloten wijn en whiskey en hij alleen nog maar artisjokharten eet. Niet meteen het beste recept om er weer bovenop te komen, vindt zijn vriend Leduc bij wie Fitou is ingetrokken, waarna hij zichzelf een limonadeglas sterke drank inschenkt en bedenkt dat uiteindelijk toch niemand echt gered wil worden, wat zijn vier adellijke katten beamen.

TijdvoorTijdschriften

Leduc is de kleinzoon van een bekende schilder in wiens riante, maar stilaan toch wat aftakelende herenwoning hij zijn dagen slijt met literaire en andere kunstzinnige bezigheden. Werken doen Leduc en Fitou niet en waar ze het geld vandaan halen om hun uitspattingen in peperdure restaurants te betalen speelt geen rol. Zij leven immers in een wereld die verheven is boven het gesjacher waarmee het grootste deel van de mensheid zichzelf denigreert.

Aangezien De oogappel opgedragen is aan de in 2017 gestorven Henri-Floris Jespers en Boudens een van zijn beste vrienden was, is het nogal snel duidelijk op wie Leduc en Fitou gebaseerd zijn. “Die artiesten zullen het wellicht nooit leren,” denkt Leduc op een bepaald moment in het boek, “altijd weer die eigenliefde,” maar het is wel die eigenliefde die het leven en de literatuur net dat tikkeltje interessanter maken.

Wie al eerder een boek las van Luc Boudens zal de sfeer meteen herkennen, en ook de humor, want terwijl hij zijn personages in De oogappel op een wolk van artistieke onthechting boven de besognes van het gepeupel laat drijven, doorprikt hij tezelfdertijd ook deze aspiraties als passé en illusoir. Wanneer Leduc en Fitou naar Parijs reizen bezoeken ze er vanzelfsprekend het graf van Oscar Wilde, maar door hen precies naar dat graf te laten gaan, de beroemdste aller woorddandy’s, ondergraaft Boudens ook hun verfijnde eruditie. Fitou’s larmoyante liefdesverhaal zou eentonig worden zonder een flinke portie relativerende humor, beseft hij, en dus trekt hij het kleed van de meester-ironicus aan. Het past hem perfect.

Drie vragen aan Luc Boudens

Mogen we in Leduc en Fitou de schrijvers Henri-Floris Jespers en Luc Boudens zien?

Boudens: “Ik ontmoette Henri in de jaren tachtig. We waren twee handen op een buik en trokken vaak samen op, waarbij ik Fitou was, genoemd naar de wijn, en hij Leduc, mijn zogezegde chauffeur. Tijdens een mindere periode in mijn leven ben ik gaan inwonen bij Henri, in het huis waar zijn grootvader, de schilder Floris Jespers lang had gewerkt en gewoond. Het was een fantastische tijd. Alles wat we deden was doordrongen van literatuur en beeldende kunst. We beleefden avonturen in Knokke en Parijs, precies zoals ik ze in het boek beschrijf. Ik vind inspiratie iets raars en schrijf alleen over mijn eigen leven. Geen verhaaltjes dus, maar wel hét verhaal, want dat van Jantje en Mieke vind ik niet relevant. Het nadeel is dat je moet wachten tot er iets gebeurt, maar in de tijd met Henri gebeurde er om de haverklap wel iets.”

Is je boek een ode aan Henri-Floris Jespers, en aan een levensstijl vol onthechting en je m’en foutisme?

Boudens: “En een afscheid van de geliefde waar Fitou een brief naar schrijft. Ik hoop dat de roman een elegant adieu is, want zo ben ik. Ik sluit dingen graag op een elegante manier af, beschaafd dus, en niet met slaande deuren en een hoop flauwekul. Le bonheur d’être triste. Dat heb ik van actrice Dora van der Groen geleerd. ‘Laat het los,’ zei ze wanneer ik weer eens met iets worstelde, ‘probeer het elegant af te sluiten.’ De melancholie is mijn wapen tegen de oppervlakkigheid, de verveling en het infantilisme van de moderne wereld. In Parijs heeft Leduc het over mei ’68. Dandy Fitou steekt zijn vuist de hoogte in en oreert over wat revolutie voeren werkelijk is, waarbij de mouw van zijn jasje wat naar beneden glijdt en je zijn prachtige manchetknopen te zien krijgt. Dat gebaar is verloren gegaan.”

En nu, wat volgt er na deze ode aan je gestorven compagnon de route?

Boudens: “Ik heb nog heel veel te doen. In gedachten zit ik nog maar aan het aperitief van mijn carrière. Het is een beetje uitgelopen, zou je kunnen zeggen, zoals dat ook bij Fitou gebeurt wanneer hij in Parijs in bad zit en een aperitief neemt, en een tweede, en een derde. Zo nam ik er duizenden.”

Eerder verschenen op Knack