Dinsdag, 19 oktober, 2021

Geschreven door: Moerenhout, Saskia
Recensie door: Stoel, Jan

De Operatuin

Het afwezige wordt aanwezig

[Recensie] De Operatuin van Saskia Moerenhout (1958, Utrecht) doet denken aan het boek Gouden jaren (2014) van Annegreet van Bergen. Zij vertelt daarin het verhaal van de enorme groei van de welvaart vanaf de vijftiger jaren van de vorige eeuw waardoor ons leven op allerlei gebied veranderde. Denk aan de zinken teil waarin je vroeger eens per week in bad ging en vergelijk dat met de dagelijkse douche die je nu neemt. Nu is dat voor de generatie die ouder dan zestig jaar is dat bijna romantische nostalgie geworden.

Op de cover van De Operatuin staat een foto van Margriet (de zus van de auteur) die de aardappelman in Utrecht oud brood voor het paard geeft. Ook zo’n beeld van vroeger. In De Operatuin is Sylvia Molenaar, het hoofdpersonage, volledig in de greep van de gouden jaren, de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Ze wil ernaar terug, wil het laten herleven. Het wordt een obsessie voor haar. Ze is teleurgesteld in de tijd waarin ze nu leeft en de vooruitgang. Maar er is dan ook psychisch wat aan de hand met Sylvia. Ze is net een jaar gescheiden van haar man, die haar ingeruild heeft voor ‘een nieuw model’, is wanhopig op zoek naar zichzelf, probeert van alles om haar leven weer een beetje op de rails te krijgen. Ze heeft geen woning en woont daarom tijdelijk op de zolder bij haar broer Aart.

“De dakramen keken niet uit op de stad. Ze keken naar boven. En wie naar boven kijkt komt terecht op de bergzolder van de geest.”

Op die zolder bouwt ze haar nieuwe wereld. Ze is omringd met spullen uit de sixties, de tijd van haar jeugd. Toen was ze gelukkig in de Von Gluckstraat 52 in de Utrechtse wijk Oog in Al.
Dwangmatig verzamelt ze spulletjes uit die jaren. Een simpel voorwerp als een Simplex-puzzeltje geeft haar een euforisch gevoel: “Het gouden gevoel doorstroomde haar, een plotseling inzicht, een openbaring. Een epifanie. Een poort werd even opengezet en ze kon weer ademen.”

Technisch Weekblad

Maar het verleden is ook een plaats. Daarom moet Sylvia naar haar geboorteplaats Utrecht. Ze doet dat met de nodige schroom, bang om de magie van vroeger te ‘onttoveren.’ Ze herinnert zich De Operatuin (voor haar een soort openluchttheater) in de wijk Oog en Al, spreekt af met haar oude buurjongen, haar vriendin van vroeger, haar oppas. Ze probeert het verleden opnieuw te construeren en de straat waar ze vroeger woonde, nieuw leven in te blazen met de mensen die er vroeger woonden. Dat is haar project. Iedereen houdt afstand. Men heeft het verleden achter zich gelaten en het dwangmatige van Sylvia stoot hen af. Haar vriendin zegt onder meer dat “Syllie de voeten een beetje op de grond moet houden.” Syllie: een woordspeling op het Engelse woord voor ‘gek.’ Het verhaal zit vol met dit soort subtiliteiten. Als het gaat om de reconstructie van het verleden worden relaties gelegd met popsongs, zoals The sound of silence met als openingsregel ‘Hello darkness, my old friend”. Als ze ziet dat haar ouderlijk huis te koop is ziet ze dat als kans om terug te gaan in de tijd. De voordeur van dat huis is voor haar ‘de deur van de tijd’. Maar of ze dat lukt?

“Waarom moest je accepteren dat dingen onherroepelijk voorbij waren. (…) Ik wil echt in die tijd rondlopen.”

De roman gaat in feit over het zoeken naar veiligheid, naar bescherming. Je wilt een plek waar je je thuis voelt, waar je met je vragen terecht kunt. En dat was voor Sylvia vroeger het gezin Molenaar. Nu zitten vader en moeder Molenaar ‘opgeborgen’ in een tehuis. Ze doven er als het ware uit. Vader heeft last van meneer Parkinson en moeder heeft Vadertje Tijd op bezoek, die steeds meer van haar geheugen wegkaapt. Wat zou het mooi zijn om weer te kunnen leven als vroeger. Sylvia probeert mensen daarvan te overtuigen, ook haar broer Aart. Hij is totaal anders, zakelijk, gelooft juist in het nieuwe en vormt in alles een tegenpool van zijn zus. Aart: “De Gouden Jaren: elke ochtend kolen scheppen. Leuk. Een in de week schone kleren aan. En dan zonder deodorant.” Die tegenstelling tussen het verheerlijkte verleden en hoe we er nu tegen aan kijken, speelt in het hele verhaal een rol.

Het boek valt in drie delen uiteen: de rolschaatstijd (over hoe het vroeger was), de bezichtiging (van het ouderlijk huis) en de verhuizing. Deze drie delen zorgen voor een mooie opbouw in de euforie die Sylvia ondergaat.

Moerenhout schrijft mooi, observeert prachtig. Het bronzen beeld dat Sylvia’s vader en moeder ooit kochten – twee ineengestrengelde figuren, die in elkaar opgaan, als symbool van hun samenzijn – wordt steeds verplaatst en heeft niet meer de vertrouwde ereplaats van vroeger en laat zien hoe de tijd verschuift. Het opnieuw breien van Sylvia’s lievelingspop door haar moeder is een metafoor voor het laten herleven van het verleden. Ze wil haar moeder die pop opnieuw laten breien, maar het lukt moeder niet. Net zo min als het lukt de schat te vinden die in De Operatuin verborgen zou liggen en die ze zo nodig heeft. Moerenhout beschrijft pakkend beelden uit het verleden: Het Museum van Dirkje Kuik (beeldend kunstenaar en schrijver) is verdwenen, Dick Bruna die naar zijn atelier fietst (dat nu verdwenen is en opgebouwd is in het Centraal Museum), De Kelder waar haar ouders elkaar leerden kennen ziet er anders uit. Veranderingen koppelt Sylvia bijvoorbeeld aan de banden van Ja Zuster Nee zuster. “We hebben ze allemaal gewist. Want wie erbij staat en wegkijkt, die is medeschuldig.” De Von Gluckstraat bestaat niet meer en De Operatuin ziet er ook anders uit.

De Operatuin is een verhaal dat boeit. Het verhaal is een ragfijn spel met het verleden en het heden. Vanuit het nu wordt het verleden aangeraakt, wordt het afwezige aanwezig.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles