Donderdag, 17 maart, 2011

Geschreven door: Abdolah, Kader
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De reis van de lege flessen

Universeel, leeg, Nederlandser kan niet

De erfenis van Annie M.G. Schmidt is overal: Jip-en-Janneketaal is, negen jaar en vier verkiezingen na de herintroductie, standaard-Haags geworden, en de schrijver die met haar werk in de hand Nederlands leerde, is boekenweekgeschenkauteur geworden. Schmidt zou ook de ironie van beide kwesties inzien: Abdolah is een succesvol multicultureel voorbeeld geworden, met een simpele taal die in algemeenheid en goede bedoelingen niet onderdoet voor politieke slogans.
Dat is al te zien in zijn eerste roman, De reis van de lege flessen (1997), waarin een vluchteling zich thuis probeert te voelen in Nederland, en vriendschappen sluit. Maar hier ontbreekt de ironie, en is de wil te vertellen overweldigend aanwezig.

Die overvloedigheid is al een beetje aanwezig in de volgende, verder mooie analyse: de vluchteling weet wat hij vragen wil, maar ook dat hij dat niet moet doen.

‘“Waar is je vrouw?” zou ik kunnen vragen.
Zo ging het niet. Normaal worden zulke vragen niet gesteld. Men hoort alles van de buren of pikt het gewoon op uit zijn omgeving. Maar mijn woordenschat of mijn zinnenschat was nog te klein om op die manier antwoord op mijn vragen te krijgen.
Wij waren de nieuwkomers. Buitenlanders. Wij telden nog niet mee. We moesten lang wachten tot we de geheimen van de wijk zouden mogen horen.’

Bolfazl, een Iraanse vluchteling wiens vrouw en zoon over zijn gekomen, heeft een woning toegewezen gekregen, een hoekhuis. Met zijn opeenvolgende buurmannen raakt hij bevriend. Hun geschiedenissen en zijn eigen eenzaamheid – de taal is echt een barrière, meer nog dan de cultuur – brengen hem tot verhalen van vroeger, tot oude Perzische verhalen en tot de prachtige geschiedenis waaraan de titel ontleend is. Bolfazls grootvader toont hem op gegeven moment de kelder van het huis, die gevuld is met lege flessen. Wijnflessen, die door zijn voorvaderen tot driehonderd jaar terug leeggedronken zijn na moorden, arrestaties, geheime liefdes. Na de dood van grootvader worden ze weggeworpen in de rivier.

Bazarow

Het is een enorm krachtig beeld: niet alleen kunnen die flessen van alles bevatten – de as van een gecremeerde buurman bijvoorbeeld – maar vooral zijn het gematerialiseerde verhalen geworden, die nu op drift zijn. Zoals de hoofdpersoon zelf, zoals vluchtelingen. De rivier, de weggeworpen flessen, je vindt ze ook in Nederland, en het is geen toeval dat Bolfazl zich dit verhaal herinnert terwijl hij langs een rivier fietst, op zoek naar een kerk die hij gezien heeft.

De kracht van Abdolahs proza is dat het zo ruim in te vullen is: vrouw, fles, rivier, buurman, huis. Ook de misverstanden die Abdolah beschrijft hebben niets particuliers, dit boek stamt uit 1997, Nederland was nog niet terugbeloofd aan de Nederlanders, van discriminatie maakt hij geen thema. Zijn sobere stijl doet zelfs de intrinsiek Perzische verhalen Nederlands lijken. Dat alles maakt deze geschiedenis van de vlucht en de veiligheid universeel.

Dat weinig specifieke is tegelijk een handicap. Want voor we het Nederlands nu aan de vluchtelingen geven: niet alles wat Abdolah schrijft is suggestief en rijk aan interpretatiemogelijkheden.

‘“Ik kwam er ook pas gisteravond achter,” zei ik, “ineens zag ik de jongens in de boom klimmen. Ze plukten de pruimen en gooiden ze weg. Toen trokken ze de plank los en kropen de huiskamer binnen.”
Ze reageerde niet. Eigenlijk ging het niet goed tussen ons. We lieten het niemand weten. Zelfs onze zoon wist het niet, maar we hadden altijd ruzie. En als je ruzie had, mocht niemand ervan weten. Dat hoorde bij onze cultuur. Dat was het geheim van het huis.’

We zijn van de geheimen van de wijk – de homoseksualiteit van de buurman – via het geheim van grootvader bij het geheim van het huis aangekomen. En dat is wel een erg simpel geheim. Het gaat niet goed, en Abdolah legt dat uit zonder iets te laten zien. Als hij zich had beperkt tot ‘Ze reageerde niet’ dan was deze stilte zoveel krachtiger geweest, juist ook omdat deze Jip-en-Janneke-achtige opsomming van feitelijkheden het nog veel banaler maakt.

Terwijl Abdolah dus af en toe heel mooi uit de hoek komt met mooie beelden (let op de pruimen!) en vaststellingen (‘Afspraken maken past niet bij het vluchten. Je belt mensen niet op de vlucht, maar komt ze tegen. En dit verandert de vlucht van iets onaangenaams in iets interessants.’), blijft zijn taal vlak, algemeen, en vertelt hij vooral dóór. Alsof het vertellen belangrijker is dan het vertelde, stapelt hij anekdote op bespiegeling op anekdote op herinnering, zonder dat helder is welke kant hij op wil. Hij vertelt té los, op het stuurloze af.

Als u mij vraagt hoe het afloopt met Bolfazl, of met de relatie met zijn vrouw, ik kan het u niet zeggen, we eindigen in volle vlucht. Zo licht is deze eerste roman van Kader Abdolah uiteindelijk: hij zweeft even door, uit zicht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *