Maandag, 2 februari, 2009

Geschreven door: Bernlef, J.
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De rode droom

De rode droom overbrugt vele kilometers

Muren zijn gevallen, landen en familieleden worden herenigd, de zegeningen van het kapitalisme verdrijven de zorgen van het communisme. Krap is er niet zo gelukkig mee, en Kowalski evenmin. Het was niet goed, vroeger, maar het is nu niet beter, en de ideeën waren goed, maar de uitwerking niet. Dat betoogt Krap, suppoost van het nationale Liftenmuseum, Kowalski, ontslagen wc-papierdistributeur, stemt er na enig twijfelen mee in. Een beweging is ontstaan, een nieuwe ‘rode droom’. Het is de titel van Bernlefs nieuwe roman.

De droom van Krap en Kowalski begint als de twee vijfenvijftigjarigen elkaar ontmoeten in een park, op een bankje, bij het aaien van dezelfde hond. Ze vinden elkaar in de teleurstelling over het teloorgegane ideaal, dat Krap in een andere vorm alsnog zou willen realiseren. In kleine gemeenschappen, met vrijheid van arbeidskeuze en vrije liefde, principes gebaseerd op de door hem ontdekte, vanzelfsprekende maar schier onuitlegbare ‘wet van wederzijdse aantrekkingskracht’. zou een betere wereld ontstaan Het is de basis van al zijn overtuigingen.

‘“Ik heb over deze materie lang en diep nagedacht. Hoe de mensheid te verheffen.”
“Dat lijkt me logisch voor iemand die liftinspecteur is,” zei Kowalski.’

Krap, de ideoloog, en Kowalski, zijn secretaris, leggen het uit in een kunstenaarsleefgemeenschap en aan landelijke kerkgangers, zoeken er bewijzen voor in de natuur en krijgen het erover aan de stok met de autoriteiten. Maar de belevenissen van de twee komen pas echt in een stroomversnelling als ook Krap ontslagen wordt, en ze, op zoek naar werk, vanuit het Thuisland naar Amsterdam verkassen, en ten slotte in een vakantieparadijs in Tunesië belanden. De rode droom overbrugt vele kilometers maar de voorstanders van de nieuwe maatschappij blijven middelmatige, grijze mannetjes, de een overmoedig, de ander onnozel.

Boekenkrant

‘“Als je met kleine, besloten gemeenschappen werkt, hoeft de productie niet omhoog, alleen maar beter, rechtvaardiger te worden verdeeld.”
“Zo is het ons vroeger ook altijd voorgespiegeld,” zei Kowalski.
“Door de verkeerde mensen,” zei Krap zelfverzekerd.
Dat bewonderde Kowalski in Krap. De zekerheid van waaruit hij sprak. Daar wilde hij ook deel aan hebben.
“We zullen ze een lesje leren,” zei Krap.
“Oude wijn in nieuwe zakken,” zei Kowalski.
“Hoe ouder de wijn, des te beter hij smaakt,” zei Krap.’

Bernlef wisselt zulke flauwigheden af met een prachtig spel met de schriftjes van Krap, dragers van een niet uit te leggen ideologie, Kowalski’s begonia’s, dragers van een onuitgesproken burgerlijkheid en Bernlefs benauwende vondst van een geprivatiseerde nationale veiligheidsdienst: flinters Voltaire (Candide) en Orwell. Maar de slapstick overheerst, een even lichte als opzichtige kritiek van de gefrustreerdheid en de burgerlijkheid van dit idealisme.

Het Thuisland doet steeds meer aan Hergé’s stripoostblokland Bordurië denken, maar de hoofdpersonen van deze knullige Avonturen lijken meer op de Jans(s)ens dan op de dynamische reporter zelf. Avontuur, ja strikt genomen kun je de eigenaardige wendingen – ook ideologisch (de vlucht naar het Westen is moeilijk te verantwoorden) – zo noemen, maar vaart en spanning blijven uit, de grappen zijn flauw en de moraal is oudbakken. Wat overeind blijft is Bernlefs klare lijn, maar dat maakt nog geen geslaagde roman. We richten ons maar weer op onze begonia’s.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *