Vrijdag, 18 september, 2020

Geschreven door: Boer, Merijn de
Artikel door: Verplancke, Marnix

De saamhorigheidsgroep

Hoe saamhorig was het nou echt?

De eerste zin

“Ambassadeur Bernhard Wekman, permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in New York, stond ergens tussen drie en vier uur ’s nachts voor het raam van de Nederlandse residentie aan Beekman Place, dronken, uitkijkend over de East River, Roosevelt Island en de lichtjes van Long Island City, zich afvragend hoe het ook alweer zat met die beroemde uitspraak: ‘Wie jong is en links…’ Nee, zo was het niet.”

Recensie

Het is 2018 wanneer Bernhard over New York staat uit te kijken en terugdenkt aan zijn jonge jaren, toen hij deel uitmaakte van de Saamhorigheidsgroep, een stel linkse idealisten die tegen kernwapens demonstreerden en knuffelbijeenkomsten organiseerden. Een van de leden van die groep, Bronno, die hij sinds 1983 niet meer heeft gezien, is die dag helemaal uit Haarlem naar hem toegekomen, op zijn sandalen nog wel, omdat ze met de groep handtekeningen ingezameld hebben voor Tibet en van hem verwachtten dat hij omwille van hun oude vriendschap China daarover in de Veiligheidsraad zal interpelleren.

Yoga Magazine

Maar was het wel vriendschap geweest, toentertijd, vraagt Merijn de Boer zich in De Saamhorigheidsgroep af. Bernhard had zijn schermvriend Felix een keertje vergezeld naar een bijeenkomst, was er smoorverliefd geworden op Liza en was daarom lid geworden. Hij beloofde voortaan tien procent van zijn diplomatenwedde af te zullen staan voor het goede doel, maar hij deed dat niet uit idealisme. Wel omdat zijn libido dat eiste. En ook Liza was iets voor hem gaan voelen, ook al had ze een relatie met Tristan. Een moeilijke relatie trouwens, aangezien Tristan onvruchtbaar was en ze heel graag een kind wilden. Misschien kon Bernhard daar wel een handje helpen, suggereerde Liza, wat Tristan schoorvoetend toestond, waardoor hij voor de rest van zijn leven zijn grote rivaal in zijn zoon zou herkennen.

In vergelijking met zijn vorige boeken is Merijn de Boer minder vilein en absurd in deze roman, al blijft het wel lachen natuurlijk. De manier waarop hij de toch ietwat naïeve Saamhorigheidsgroep neerzet en de mannen bijvoorbeeld op zondagnamiddag laat knutselen met wc-rolletjes is ronduit hilarisch. Maar tezelfdertijd voel je ook zijn sympathie voor die naïviteit en voor de vriendschap die eruit voortvloeit. De Saamhorigheidsgroep is dus zeker geen uitlachliteratuur, daarvoor gaat het boek te veel over Bernhard, de man die zijn hele leven denkt beter te zijn dan de anderen, maar daar uiteindelijk toch niet zo zeker meer van is.

3 vragen aan Merijn de Boer

Zou je zelf lid willen zijn van de Saamhorigheidsgroep?

De Boer: “Helemaal niet, maar mijn ouders waren er vroeger wel lid van. Ik kom uit een Haarlems links idealistisch nest, maar zelf ben ik helemaal niet zo idealistisch of activistisch. Enerzijds voelde ik dat dit mijn onderwerp was en wou ik er al heel lang iets mee doen, maar ik wist niet goed hoe. Dus bedacht ik het perpectief van Bernhard, die uit liefde voor een van de vrouwen in de groep bij hen aansluit en niet omwille van hun ideeën. Hij doet wel alsof hij heel links is, maar dat is niet zo. Verhaaltechnisch is zo’n groep een interessant gegeven, omdat je vanuit een aantal mensen vertrekt die hecht met elkaar verbonden zijn. Je kunt die personages een eigen verhaallijn geven en ze tegelijkertijd met elkaar laten interageren in de groep. De groep waar mijn ouders deel van uitmaakte was net zo hecht als die in het boek. De leden stonden echt tien procent van hun inkomen af om er projecten in de derde wereld mee te steunen. En ze gingen ook samen op vakantie en tijdens het weekend uit wandelen of fietsen. Ik wou de sfeer en de ideeën van toen vatten, maar er wel fictie van maken.”

In hoeverre is zo’n Saamhorigheidgroep een dwangbuis voor zijn leden?

De Boer: “Ik laat de groep in mijn boek er niet toevallig aan denken een commune te worden. Soms was de stap klein. Veel van die mensen waren ontzettende positivo’s die alleen maar wilden lachen en op een open manier in de wereld wilden staan. Zij wilden tegen heug en meug goede mensen zijn, wat op zich heel mooi is, maar het kan ook tot een dwingende groepsdynamiek leiden. Over gevoelens praten deden ze niet. Het ging altijd over politiek. Mijn Tristan-personage heeft een donkere, Dostojevski-achtige kant die hij niet kwijt kan in de Saamhorigheidsgroep. Hij heeft een probleem met Bernhard, maar daar kan binnen de groep niet over gepraat worden.”

Hebben je ouders het boek al gelezen?

De Boer: “Nog niet, maar dat komt ongetwijfeld. Het zijn echte lezers. Zij kennen de regels van de literatuur en weten hoe je zaken uit de werkelijkheid gebruikt om er je verzinsels mee te stofferen. Zij zullen door de spot heen kunnen kijken en merken hoe mooi ik hun idealisme uiteindelijk wel vind.”

Eerder verschenen in Knack