Vrijdag, 11 december, 2020

Geschreven door: Follett, Ken
Artikel door: Quis leget haec?

De schemering en de dageraad

Herkenbare Follett, prelude op Kingsbridge-trilogie

[Recensie] Dachten we dat Ken Follett met Het Eeuwige Vuur zijn trilogie had voltooid over de fictieve plaats Kingsbridge in Engeland, komt hij ineens met een heuse prequel. De schemering en de dageraad speelt zich af eind 10e en begin 11e eeuw, als Engeland belaagd wordt door de Vikingen. Van een plaats die Kingsbridge heet is nog geen sprake, maar het verhaal speelt zich in ongeveer dezelfde omgeving af.

Het recept van Follett is bekend. Hij verweeft bekende historische gebeurtenissen tot een roman, waarin hij doorgaans een paar verhaallijnen kunstig bij elkaar laat komen. In deze roman is dat vrij overzichtelijk, het is met 734 bladzijden ook de minst omvangrijke van de vier. Allereerst is er Edgar, een slimme zoon van een botenbouwer in Engeland. Het verhaal kleunt er meteen vol in als zijn dorpje wordt overvallen door de Vikingen; je zit er meteen lekker in.

Vervolgens is er Ragna, de dochter van een edelman uit het Franse Cherbourg. Zij dreigt te worden uitgehuwelijkt aan een Fransman terwijl zij haar hart verloren denkt te hebben aan een Engelse graaf Wilwulf, Wilf voor intimi. Die lijkt helemaal okay, alleen heeft hij twee stiefbroers, de gewetenloze bisschop Wynstan en de niet bijster slimme Wigelm die er minder verheven principes op na houden. Ten derde is er broeder Aldred. Hij is een jonge monnik die ervan droomt om een bescheiden abdij om te toveren tot een centrum van kennis en geleerdheid.

Laat het maar aan Follett over om met deze ingrediënten uit te pakken. Die Viking-aanval loopt natuurlijk niet heel goed af en Edgar belandt met moeder en broers in een klein gehucht, Dreng’s Ferry. Vernoemd naar de onhebbelijke herbergier Dreng die er, jawel, een veerdienst op na houdt. Ragna wordt inderdaad de gemalin van de graaf en moet zich staande houden in het Engelse Shiring, zo’n twee dagen reizen van Dreng’s Ferry. Ook broeder Aldred komt in dit gehucht terecht en zo wordt het al snel een verhaal wat zich in een klein gebied afspeelt. Dat is wel een verschil met de vorige romans van Follett, daar gebruikte hij de drama’s op persoonlijk niveau wat meer om de grote gebeurtenissen op landelijk niveau te duiden.

Bazarow

Dat doet echter niets af aan de leesbaarheid of vermakelijkheid want het verhaal leest als een trein. Edgar ontwikkelt zich tot een handwerksman met inzicht, die bovendien leert lezen en schrijven. Hij bouwt een nieuwe veerpont, huizen en een brug en verliest zijn hart aan Ragna, wat natuurlijk een lastig verhaal is. Ragna ondervindt dat een vrouw alleen tussen krijgslieden in Engeland ook alle zeilen bij moet zetten en broeder Aldred ziet zich ook tegengewerkt in zijn onderneming.

Wat ik prettig vind aan de boeken van Follett is dat je merkt dat hij zich altijd verdiept in de materie. Hij had het in dit boek wat minder nodig dan in bijvoorbeeld Pilaren van de Aarde, dat onderhand een handboek is om een kathedraal te bouwen, maar het komt wel degelijk terug, zoals wanneer hij zijn veerpont bouwt;

“‘Heb je dit allemaal met een Vikingbijl gedaan?’
‘Meer heb ik niet,’ zei Edgar. ‘De achterkant van de kop gebruik ik als hamer. En ik hou de kling scherp, dat is het belangrijkste.’ Cuthbert was onder de indruk. ‘Hoe ga je de gangen glad op elkaar aan laten sluiten?’
‘Ik bevestig ze op een geraamte van timmerhout.’
‘Met klinknagels?’
Edgar schudde zijn hoofd. ‘Ik ga boomnagels gebruiken.’ Een boomnagel was een houten pin met gespleten uiteinden. De pin werd in een gat gestopt, daarna werd er een wig in de gespleten uiteinden gehamerd waardoor de pin uitzette totdat hij strak zat. Daarna werden de uitstekende einden van de pin met de gang afgesneden om een glad oppervlak te krijgen.”

Het zijn dit soort details die het boek kleur geven. Dat biedt een mooi tegenwicht voor de moord en doodslag die er ook in staan. Er zijn kleine zijpaden met verhalen over valsemunterij, de bandiet IJzerhoofd die de omgeving onveilig maakt, de behandeling van slaven waar de honden geen brood van lusten en ga zo maar door. Follett ziet er geen been in om een hoofdpersoon op gruwelijke wijze uit zijn verhaal te schrijven wist ik uit de andere romans, dus je blijft nieuwsgierig doorlezen.

Iedereen krijgt het voor zijn kiezen, Ragna misschien nog wel het meest van al. Door haar man, zijn stiefbroers maar zeker ook hun moeder Gytha. Dat drietal is niet blij als Ragna een tweeling krijgt;

“‘God, verdoem hen beiden,’ vloekte Wynstan…Ze vielen even stil. Dit betekende een belangrijke verschuiving binnen het adellijke machtsspel. Wynstan overpeinsde de gevolgen. Net als zijn moeder, dat wist hij zeker.
‘Er moet iets zijn waarmee we Wilf en Ragna uit elkaar kunnen spelen,’ merkte hij even later gefrustreerd op. ‘Ze is niet de enige bekoorlijke vrouw op deze wereld.’
‘Misschien dat een ander meisje opduikt en hem zal weten te boeien. Een stuk jonger dan Ragna, natuurlijk. En waarschijnlijk zelfs nog een stuk pittiger en onstuimiger.’”

Die kuiperijen lopen als een rode draad door het verhaal heen en houden het verhaal boeiend. Ook hier zie je sommige dingen van mijlenver aankomen (natuurlijk duikt de gevluchte slavin Blod later weer in het verhaal op) maar het stoort me niet. Ik zie nog ruimte voor een deel tussen dit boek en de Pilaren van de Aarde dus we wachten rustig af.

Eerder verschenen op Casakoen