Dinsdag, 11 januari, 2022

Geschreven door: Ellenbroek, Frans
Recensie door: Reinewald, Chris

De steenkruier

Middelbare man blijkt te manhaftig

[Recensie] In zijn debuutroman De steenkruier doet schilder en voormalig natuurmuseumdirecteur Frans Ellenbroek (1951) niet aan cultuurpolitieke zelfcensuur – en zeker niet aan het actuele woke.

Brutaal en vol flair vertelt hij het thrillerachtige relaas van een uitgebluste Haagse schilderijenrestaurator die met een onecht doek van De Kooning zijn hand overspeelt.

Er komt veel lekker eten op tafel waarbij “mooie flessen wit” en “goede cognac” worden weg geklokt. Anders dan de titel – een eindeloos zwoegende keiensjouwer – suggereert, legt het handjevol hoofdpersonen zichzelf graag lekker in de watten. Om aan de sleur te ontkomen krijgen opportunisme en hedonisme de overhand. Dat kan natuurlijk niet goed gaan.

Behalve de terugkerende maaltijden, fijne sigaren en een incidentele snack beschrijft Ellenbroek even minutieus de weersgesteldheid, bestaande locaties in Den Haag en Amsterdam, voetbalwedstrijden, sexy lingerie, autotypes en motoren. Daardoor duurt het even voordat het handjevol karakters profiel krijgt. Hoofdpersoon is de sullige restaurator Bernard met zijn hitsige vrouw Martha tevens galeriehoudster, twee van haar exposanten: Patty, mysterieus erotisch fotografe, beeldhouwer Bruno en een veramerikaanste kunsthistorica Marilyn met een (zo blijkt: gedeeld) Nederlands verleden. Gaandeweg blijken Bernards naĂŻviteit, geldzucht en opkomende geilheid een fnuikende combinatie.

Geschiedenis Magazine

Instinct en intuĂŻtie
In het verhaal leiden kunstig verweven (sub)plots naar een thrillerachtige ontknoping. Waar andere schrijvers zich baseren op filosofisch nihilisme zet Ellenbroek, immers bioloog, met zijn verhaal in op de evolutieleer. In een column over instinct en intuïtie (http://800woorden.nl/author/frans-ellenbroek/) typeerde hij de mens als een dier “met een instinct als aangeboren gedragspatroon dat geheel of grotendeels gebaseerd is op een genetische basis.”

De mens onderschat de mate waarin zijn handelen wordt bepaald door instincten en overschat daarbij de invloed van zijn ratio. Mensen denken dan wel hun instincten te volgen, maar gebruiken dat denken niet altijd om hun keuzes te corrigeren of bij te stellen. WĂ©l om deze achteraf te onderbouwen.

Zo beseft de hoofdfiguur Bernard terdege dat hij zich steeds verder op glad ijs begeeft. Maar telkens vindt hij weer redenen om zijn instinctief handelen goed te praten. Al is het alleen maar om tegengas te geven aan zijn, buiten de deur rond neukende, vrouw. Nadat hun volwassen zoons het huis uit zijn, is Bernard, rond de 50, kundig maar ambitieluw restaurator van oubollige Haagse School-schilderijen, beland in een vreugdeloze relatie met zijn vrouw. Onder Ă©Ă©n dak leidt zij een wederzijds geaccepteerd dubbelleven. Martha liefhebbert met een B-galerie en een reeks minnaars om haar aan kinderopvoeding vermorste jaren seksueel in te halen. Bernard op zijn beurt leeft zijn vooralsnog seksloze routineleventje.

Ellenbroek mijdt hierbij groteske typeringen en macho-clichés niet. Het is een kwestie van smaak niet alles even geloofwaardig te vinden. (Mij lijkt het een vrolijke ouwe jongensfantasie van de schrijver om de piepjonge Patty een vijftig jaar oude Fiat 2300 cabriolet te laten rijden.)

De beeldende kunst, met internationale reputatie, benut Ellenbroek cynisch als vehikel voor list en bedrog, kapitalisme, arrogantie, pretentie en ijdelheid, zoals Michel Houellebecq dat ook vaak doet.

Bilpartij en bedprestaties
Dat de fysiek rijk maar intellectueel onderbedeelde beeldhouwer Bruno kitscherig figuratief werk maakt ziet zijn galeriste ook wel, maar zij geilt nu eenmaal op zijn pronte bilpartij en bedprestaties.
Wanneer Bernard een onecht, maar overtuigend aandoend semi-abstract doek van Willem de Kooning kan verwerven komt zijn leven in een stroomversnelling. De opeenvolgende acceptaties van het onbekende meesterwerk verlopen heel vlotjes. Allereerst wint Bernard – als niet-deskundige – advies in bij Marilyn, niet toevallig een De Kooning-expert, bij wie zijn vrouw in Amsterdam een kunstgeschiedeniscursus volgt. Zij kan het haar onbekende doek plaatsen in het oeuvre en lijkt oprecht enthousiast. Bij de daarop benaderde directeur van het Gemeentemuseum Den Haag springen de dollartekens in de ogen. Een De Kooning ontbreekt immers in de collectie. (Klopt!) Geheel volgens de museale praktijk beschrijft Ellenbroek hoe de directeur vervolgens een rijke Amerikaanse verzamelaar aanzoekt om het doek als bruikleen te kopen voor een op handen zijnde tentoonstelling in het museum. De PR-dame schroeft het nieuws nog eens extra op, met een tv-optreden als gevolg. Alles lijkt smooth te gaan. De manier waarop men onder elkaar over de kunst praat is een ontnuchterend staaltje van koehandel.

Slim trouwens om De Kooning te kiezen. De leek beschouwt zijn intuĂŻtieve, losse stijl vaak als geflodder met handige verfstreken in mooie kleuren. Toen de Rotterdams-New Yorkse schilder aan het eind van zijn leven dementeerde maakte hij schilderijen op de automatische piloot die kunsthandelaren – al dan niet vroegtijdig – onder zijn handen vandaan trokken om te verkopen.

Juist dit aspect van semi-authentiek of ronduit vals had het verhaal kunsthistorische diepte en discussie kunnen geven. Maar goed, daar was het de schrijver niet om te doen.

Frikandel
Ter hoogte van het aanbieden van De Kooning aan het museum wint het boek aan vaart. Een paar absurd-grappige incidenten doen je opveren. Zo beschrijft Ellenbroek plastisch hoe de gulzige Bernard al autorijdend een frikandel verorbert en daarbij ook nog eens akelig morst. Het lijkt een Freudiaanse voorafschaduwing van Bernards inwijding in de sm-erotiek door Patty.

Omdat in de handeling meer gebeurt is er ook meer ruimte voor dialoog. Hoewel hij een onsympathieke slomerik is krijg je dan toch enig mededogen voor Bernard.

Door zijn eclatante ontdekking ziet hij, als romanticus. een erotische toekomst met de spijkerharde Patty voor zich. Maar dan blijkt uiteindelijk iedereen – Bernard uitgezonderd – er een (drie)dubbele agenda op na te houden. De onafwendbare ‘dĂ©confiture’ kan niet anders dan moralistisch zijn: zo komen snoepers te pas. Een andere bittere les is dat we veroordeeld blijven tot ons bestaan zoals die steenkruier (een bestaande sculptuur van Joep Faddegon bij Herwijnen). Hij blijft zijn kruiwagen met keien legen op de waterkant tegen het buiten de oevers treden van de almaar stromende rivier.

Mede door de hilarische wendingen leent de kleurrijke roman zich prima voor een tv-film. Die zal dan waarschijnlijk wel een troostrijker happy end krijgen. Want pas op het laatste moment suggereert Ellenbroek dat er ook nog zoiets basaals bestaat als ware liefde en mededogen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles