Woensdag, 13 december, 2017

Geschreven door: Tussenbroek, Gabri van
Artikel door: Leeuw, Karin de

De toren van de Gouden Eeuw

De investituurstrijd aan de Amstel

Een Hollandse strijd tussen gulden en god

[Recensie] Wie in het voorjaar van 1645 over de Dam in Amsterdam liep zag een ander beeld dan het huidige. Uiteraard was het monument er nog niet. De Dam was nog beperkt tot het plein voor het huidige paleis.De schepen meerden nog af op het Rokin. Vrij centraal op de Dam stond de waag.

En dan stond er op de Dam een stel gammele gebouwen die samen het stadhuis vormden. Het onderhoud liet al jaren te wensen over. De stad was zuinig. De oorlog met Spanje was nog steeds gaande en er moest daarom een groot, duur leger op de been gehouden worden. Maar nog armoediger dan het stadhuis was de aanblik die de grootste kerk van de stad bood: in een straat achter de Dam stond de Nieuwe Kerk, of althans, de resten daarvan. De kerk was aan het begin van dat jaar grotendeels afgebrand.

Vondel

Bazarow

Zo stond een van de rijkste steden van Europa er voor in dat jaar. En toen moest er iets gebeuren. In een stad voortdurend uitdijende stad, die gonsde van de bouwactiviteiten moesten in het hart de huisvesting van kerkelijk en wereldlijk gezag worden vernieuwd. Over die projecten schreef bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek een geschiedenisboek voor het grote publiek, een boek dat je meeneemt langs regenten en zeelieden, Vondel en Sweelink, nurkse bouwheren en gouden bouwoffers door strenge calvinisten. Een geschiedenisboek ook in de zin dat de lezer terloops nog even onderricht krijgt in de landelijke en internationale politieke geschiedenis. Het is daarmee een traditionele geschiedenis, een mannetjesspel.

Wanneer een stadskerk afbrandde in de zeventiende eeuw betekende dat iets heel anders dan nu. Er was ook toen wel wat treurnis om het verlies van een historisch gebouw, maar veel meer dan nu was er een acuut functioneel probleem. Op zondag werden in de kerk vier of vijf diensten gehouden. Duizenden mensen, die de kerkgang nog als een dure plicht en noodzaak voelden, waren hun bedehuis kwijt. Door de week was de kerk ook open, voor de dienst op dinsdagochtend, voor huwelijken en begrafenissen, maar ook om er even uit regen en wind te wandelen. De organist was niet alleen in dienst om te spelen tijdens de godsdienstoefeningen, maar ook om iedere dag een uurtje muziek te verzorgen voor het rondlopende publiek. Daarbij werd hem veel vrijheid gelaten in de keuze van zijn repertoire en dat was dan ook gevarieerd.

Gabri van Tussenbroek, bouwhistoricus en hoogleraar identiteit en monumenten aan de Universiteit van Amsterdam, beschrijft prachtig hoe het in het kerkgebouw toeging. Tegen het gebouw aan was ook nog de uitdeling van goederen aan armen gehuisvest. De kerk was een belangrijk centrum van de stad. Gebouw en de predikanten werden bekostigd door het stadsbestuur. De strakke vervlechting van de calvinistische kerk met de jonge republiek was nog niet verbroken. Tenslotte was de tachtiger jarige oorlog nog aan de gang. Die oorlog was toch uitgebroken om een godsdienstig conflict met de katholieke koning van Spanje? Of ging het ook toen om economische belangen, belastingen en mogelijkheden tot groei van de Hollandse steden? In ieder geval waren de strijd voor gulden en god in die oorlog hand in hand gegaan.

De eerste barsten in de alliantie kwamen echter al aan het licht tijdens het twaalfjarig bestand in het eerste kwart van de zeventiende eeuw, toen de strijd tussen rekkelijken en preciezen, gepersonifieerd in de figuren van prins Maurits van Oranje en raadspensionaris Johan van Oldebarneveldt de laatste het hoofd kostte. Ook in de heersende klasse van Amsterdam stonden fracties tegenover elkaar. Nu nemen we wel eens gemakkelijk aan dat al die regenten in hun zwarte pakken streng godsdienstige mannen waren, maar echte calvinisten hebben in Holland nooit een meerderheid van de bevolking gevormd. Steeds was er ook een groep die in religieus opzicht een wat lossere visie vertegenwoordigde, die minder Oranjegezind was en in economisch opzicht een voortvarende lijn aanhield, om niet te zeggen als krachtig prekapitalistisch kon worden bestempeld. De familie Bickers worden gezien als de exponenten bij uitstek van de laatste groep. Veel mannelijke leden van de familie bekleedden belangrijke functies in de stad. Ze waren vele malen burgemeester.

VOC

Willem Backer daarentegen, afstammeling van haringverkopers aan de Nieuwendijk, was een relatieve nieuwkomer in de regerende kringen. Hij was een calvinist pur sang, een moralist. In 1643 bijvoorbeeld bedankte hij er verder voor om bewindvoerder van de VOC te zijn. De koers van ā€˜s werelds eerste naamloze vennootschap, onder aanvoering van de Bickers, stond hem niet aan. Dat betekende echter niet Willem Backer niet aan zijn eigen economische belangen dacht. Ook hij was een schatrijk man en streefde zijn hele leven naar het verbeteren van zijn positie, zowel in welstand als in aanzien.

Backer was burgemeester in het jaar dat de kerk afbrandde. Zoals gezegd: dat zorgde voor acute organisatorische problemen, maar toen eenmaal vervangende ruimtes gevonden waren voor de kerkgang en armenbedeling, moest hij zich ook bezighouden met de herbouw van de kerk. Tot die herbouw had het stadsbestuur namelijk al snel besloten. Het was de vrome Backer echter niet genoeg. Hoewel het nog oorlog was, groeide Amsterdam in die tijd snel en was de beroemde welvaart van de Gouden Eeuw op zijn hoogtepunt. Zoā€™n stadĀ  verdiende een toren, hoger dan de Dom van Utrecht, meende de calvinistische burgemeester. Het leek er op dat aldus zou gebeuren. Het stadsbestuur ging akkoord met zijn plan en in relatief korte tijd werden meer dan zesduizend heipalen in de grond geslagen aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar zou de toren komen. De veertienjarige zoon van burgemeester Backer legde de eerste steen.

Stadhuis

Tot zo ver zo goed, maar inmiddels had de jaarlijkse burgemeestersverkiezingen plaatsgevonden en was de fractie van Bickers aan het roer. Dat de kerk herbouwd moest worden stond ook voor de nieuwe burgemeesters vast en dat mocht best een stuiver kosten. Dat is kenmerkend voor de fractiestrijd in deze tijd. De kapitalisten waren niet anti-godsdienstig en de calvinisten waren niet tegen economisch gewin. Men streed voornamelijk voor eigen zaak. En de eigen zaak van de Amsterdamse kooplieden was een sterk stadsbestuur, dat het overwicht in de belangrijkste provincie van de republiek, Holland, kon handhaven. Die macht werd niet verbeeld in een (gotische) toren, maar in een stadhuis. Bickers wilden een nieuw stadhuis en wisten ook daarvoor de plannen goedgekeurd te krijgen. Twee dure prestige objecten op een en dezelfde Dam. Dat was wel heel veel, zelfs wanneer in 1648 de vrede getekend wordt en het er op lijkt dat er geen oorlog meer is.

Van Tussenbroek is een populariserend historicus. Hij kan een verhaal voor velen vertellen. Maar anders dan bijvoorbeeld Geert Mak, wanneer die over Het leven van tijdgenoot Jan Six schrijft, wordt De toren van de Gouden Eeuw geen anekdote. Net als Mak maakt Van Tussenbroek zijn verhaal interessant door uit te weiden naar alle kanten, maar hij kiest wel voor uitleg en minder voor stemming. De beschrijving van de hei-installaties bijvoorbeeld vond ik leuk om te lezen. Palen werden eerst omlaag geduwd door het heigewicht er op te laten rusten en daarna werd het blok iedere keer omhoog getrokken door zestig man. Die zongen daarbij om een ritme aan te houden. Voor de toren werd gewerkt met maar liefst twee installaties. Na enige tijd werden nog zwaardere, ijzeren blokken gebruikt en moest men met zeventig man hijsen. Gemiddeld gingen 26 palen per werkdag in de grond. Ook bij slecht weer werd doorgewerkt. De mannen stond hele dagen bij regen in de modderige bouwput.

Over regen gesproken, Van Tussenbroek heeft iets met het weer. Hij schrijft er voortdurend over. Bij iedere gebeurtenis vertelt hij of het sneeuwde of dat de zon scheen. Ook de zonsverduistering van 1652 blijft niet onvermeld. Overigens is deze aandacht van het weer uiterst zinnig in het verhaal, want wind en regen hadden veel grotere invloed op alle onderdelen van het leven dan tegenwoordig. Overstromingen en dijkdoorbraken leggen beslag op de financiƫle middelen van de stad en vertragen daarmee de bouw van toren en stadhuis, bevroren waterwegen houden de aanvoer van bouwmaterialen op. En dan waren er ook andere spelingen van de natuur van invloed: de bodem van Amsterdam is niet erg geschikt voor de bouw van torens. Ze vertegenwoordigen teveel gewicht op een kleine plek. In de Gouden Eeuw had men, net als in de middeleeuwen in het hele land last met verzakkende en anderszins in ongerede rakende torens.

U komt wel eens op de Dam, u kent de uitkomst van de strijd. Het stadhuis is er gekomen. Dat ging ook zeker niet zonder slag of stoot. De toren kwam er niet. De Republiek raakte weer in een oorlog verzeild, nu met de Engelsen. De broekriem moest worden aangehaald, de invloed van de calvinisten taande. Toen in het najaar van 1652 Backer overleed, viel de voornaamste pleitbezorger van het project weg. Het plan werd daarna snel vergeten.

ā€œGeen enkel gebouw ontstaat toevallig, los van individuen die opereren binnen een gemeenschap,ā€ leert bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek ons in de epiloog van zijn boek. ā€œhet in de jaren rond 1650 de vraag welke van de gebouwen de identiteit van de hele stad kunnen verbeelden, het wereldlijke stadhuis of de kerkelijke toren.ā€ Enkele bladzijden verder haalt de schrijver Thomas von der Dunk aan die in 1993 aangaf dat het zelfs ging om de vraag of de Opstand tegen Spanje beschouwd moest worden als van religieuze of van economische aard. De toren zou door de calvinisten worden gezien als een vingerwijzing naar de hemel die bijstand had verleend en de jonge Republiek de Vrede van Westfalen had gegund. Het moest het protserige wereldlijke stadhuis overtroeven. Het liep anders. Voor wie er toen bij betrokken was, leek die uitkomst geenszins zeker. Wij, die achteraf kijken, kunnen winnaars en verliezers aanwijzen en de achterliggende strijd duiden.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles