Maandag, 18 januari, 2010

Geschreven door: Nulent Klein, Michiel
Artikel door: Stoffelsen, Daan

De tram van half zeven

De schaduwhoeder en het wegloopstertje

Thee is het beste medicijn tegen onze misère.’ Het is een van de eerste dingen die Osman, eigenaar van Osmans Avond- en Nachtwinkel, tegen zijn zestienjarige bezoekster zegt in Michiel Klein Nulents debuutroman. Het meisje, dat van huis weggelopen blijkt, sluipt zijn leven in, gaat een korte, tedere maar tere vriendschap met hem aan – maar de misère blijft. Ach, lang blijft ze toch niet, wat had ze gezegd? ‘Ik dacht, misschien kan ik hier blijven tot de tram van half zeven.’

Ze is zestien, en hij ontfermt zich met tegenzin maar met vaderlijke kwaliteiten over haar. Als hij werkt en slaapt – op de bank – slaapt zij in zijn bed of zont op het platte dak; ze maakt een ontbijtje voor hem en neemt hem mee op sleeptouw. Het is een welkome afleiding voor de Nederlands-Turkse ondernemer, met een slechtlopende winkel en een torenhoge speelschuld bij een crimineel. Al weet hij zich gedurende de nacht ook te concentreren op het lekkende meel en de muizen, of op de rottende bananen.

‘Ik kan er bier van maken, dacht hij, bananenbier, sterk genoeg om een olifant mee te vellen. Ik zal het in jampotten verkopen vanonder de toonbank, maar alleen aan de uitverkorenen, zij die de geheime code kennen en mij ongevraagd een biljet van tien euro toeschuiven. Gepast betalen graag. Dit gaat buiten de boekhouding om. Alleen ík word hier beter van. Met de zwengel draaide hij de luifel omhoog.’

Het zijn de dromen van een man die niet veel meer kan. Die, als zijn ex vaststelt dat hij als een Afghaan tegen een boom zijn sigaretje rookt, begrijpt dat zij hem als een geitenhoeder ziet – ‘Maar wat hoed ik nou, behalve mijn eigen schaduw?’ Die droomt van het kasteel dat haar en zijn dochtertje weer terug zal brengen, dat hij gaat bouwen op een onooglijk stukje land tussen een snelweg en een spoorlijn. Maar die verder vooral geld van haar moet lenen en maar doorwerkt, zonder veel succes.

Bazarow

Daarmee vergeleken zijn de wensen van het pubermeisje overzichtelijker en reëler: zonnen, lezen, shoppen; bewonderd en bemind worden. Maar ja, Osman heeft zijn ex toch, en is zij niet minderjarig? ‘Perversiteiten? Omdat ik je aanraak? Weet je wat het met jou is? Je bent… Je bent… Prude!’ Zo’n omslag in de stemming, zo’n felle reactie, daar staat de rustige Osman versteld van.

‘Nu bolt ze haar rug als een kat, dacht hij. Prude? Waar haalt ze dat nou weer vandaan? Hij schudde zijn hoofd, zocht in de zakken van zijn trainingsbroek naar zijn geld en sloot zijn hand om het pakje sigaretten. Isis liep met vastberaden stappen en felle slingerbewegingen van haar armen verder. Osman lachte. Verzet je maar, dacht hij, wees de rebel die ik niet durf te zijn, een guerrillero in de polder. Kom, ik geef je mijn arm terug. Hij liep achter haar aan en probeerde haar bij te halen en zijn arm achter die van haar te haken, maar ze gaf hem geen ruimte.’

Het zou een romance kunnen zijn, een pijnlijk afstoten en daarna weer heerlijk aantrekken, als de verhoudingen niet zo ongelijk waren. Terwijl Osman zijn zorgen opzij zet en haar zijn droomhuis-in-aanbouw ter plaatse gaat laten zien, ziet zij steeds helderder dat haar behaarde gastheer niet zo glamourous is als ze zou willen. Morsig en modderig is het daar, en Isis ontwikkelt zich van een figurant in een nachtelijk bestaan tot een protagonist:

‘De lucht leek op een dwars gespleten rots. Grijs, grijs, grijs. Een troosteloze bedoeling vond Isis het maar: de aanblik die het raam hun bood en de weerspiegeling van het kunstleer en het metaal van de cafetaria waarin ze waren neergestreken. Een interieur in de stijl van Edward Hopper. Of was het nou Dennis Hopper? Wie was de acteur en wie de schilder? Ze haalde die twee altijd door elkaar.’

Tja. De dromer en het dommerdje, dat kan niet samengaan, en het knalt ook uit elkaar. De idylle duurde maar enkele dagen, en veel is er niet gebeurd tussen het voornemen de tram te nemen en het daadwerkelijke vertrek met de tram van half zeven. Dat wil zeggen, niet tússen hen: ze hebben het bed niet gedeeld, gesprekken gaan niet verder dan wat praktische dingen, losse dromen (hij) en platte frustraties (zij). De verwachtingen botsen, de dromen kraken aan beide kanten – maar Osman is wel in elkaar gemept, net als zijn winkel, en zijn werkelijkheid is van een grootse troosteloosheid, waarin huizen grimmige gestalten worden, en soms van een oudtestamentische zwaarte, als kikkers tegen de ramen worden doodgegooid. Een boek waarin alleen de stem van de schaduwhoeder had geklonken was zwaarder, mooier, interessanter geworden.

Michiel Klein Nulent heeft zijn wereld prachtig neergezet, en als ik moet vaststellen dat hij toch nog maar een debutant is, dan vooral omdat de spanwijdte van deze roman zo beperkt is, de handeling zo weinig definitief, en dat, met een omweg, toch het geblaat van de gemiddelde puber en adolescent zijn weg heeft gevonden in dit rijpe portret. Klein Nulent (1972) betoont zich toch al een origineel auteur, met een oog voor het onooglijke en een pen die het gemiddelde makkelijk overstijgt. De tram van half zeven is een van de terechte nominaties op de shortlist voor de Debutantenprijs.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *