Dinsdag, 17 april, 2007

Geschreven door: Blom, Lilian
Artikel door: Levy, Rachel

De tuinkamer

Geen tegenstelling dan liefde en dood

[Recensie] Een man krijgt kanker. Zijn vrouw is erbij als de ziekte begint, wanneer hij zieker wordt en ten slotte als hij sterft. Het thema is bekend en een ideaal (want zeer veel potentieel herbergend) uitgangspunt voor een novelle of roman. Dat maakt het precies ook zo ingewikkeld, want een lezer legt de lat automatisch zeer hoog. Iedereen kent immers het potentieel van een thema waarbij liefde en dood innig met elkaar verstrengeld zijn. Vele schrijvers hebben zich op het thema gestort. Het lijdt geen twijfel dat Simone De Beauvoirs Une mort très douce een van de belangrijkste boeken is die het onderwerp hebben uitgewerkt. Vrijwel alle grote levensvragen komen er aan in bod, de meest schrijnende momenten en de pijnlijkste plekken in de ouder-kind relatie komen naar voren, en als we ergens de kwetsbaarheid en de vergankelijkheid van de mens leren kenen, is het wel in haar boek.

Dat roept een grote vraag op: is het überhaupt nog mogelijk om over de liefde en de dood te schrijven zonder in de schaduw te staan van deze Franse literaire klassieker?

Na het lezen van Lilian Bloms De Tuinkamer luidt het antwoord: nee. De Tuinkamer is het verhaal over de laatste jaren van auteur Louis Ferron (1942-2006). Net de zestig gepasserd krijgt Ferron kanker, wordt ziek, zieker en sterft ten slotte. Zijn vrouw Lilian Blom maakt het mee en schrijft het op. Het boek is het relaas van een ziekte- en sterfbed, maar vooral – net als Une mort très douce – het verhaal van een leven en een relatie.

Ferron debuteerde in 1962 met de gedichtencyclus ‘Kleine Krijgskunde’ in het tijdschrift Maatstaf in mei 1962. Zijn oeuvre getuigt van een voortdurende fascinatie met het Duitse oorlogsverleden. Ferron kreeg in 1978 de Multatuliprijs, in 1990 de AKO-literatuurprijs en in 2001 de Constantijn Huygensprijs. Maar hij werd geboren als Karl Heinz Beckering in Leiden uit een buitenechtelijke verhouding van een foute Duitser, een getrouwde militair, met een Haarlemse serveerster die Ferron heette. Zijn vader nam hem mee naar Duitsland. Toen deze kort voor het eind van de Tweede Wereldoorlog omkwam, werd Karl Heinz als pleegkind van de wettige echtgenote van zijn vader opgevoed in Bremen. Na de oorlog keerde hij naar Nederland terug. Daar kreeg hij de naam Aloysius (Louis) Ferron. Hij werd opgevoed door de ouders van moeders kant en verbleef op kostscholen en in pleeggezinnen. Hij wilde aanvankelijk schilder worden, maar trouwde op zijn achttiende met een dochter van de schrijfster Lizzy Sara May, die hem tot schrijven aanzette.

Blom is de dochter van een vader die zich als Joodse jongeman tot het christendom bekeerde. Ze beschouwt deze biografische verschillen tussen Ferron en haarzelf als botsende tegenpolen. Ferron als zoon van een foute Duitser en zij als dochter van een tot het christendom bekeerde jood is in haar optiek – en getuige de citaten van Ferron in het boek ook van Ferron zelf – een ultieme, bijna onmogelijke relatie. Ze worden beschreven als olie en vuur, theoretisch onvermengbaar maar desondanks samengesmolten in een relatie. Maar hoe ‘fout Duits’ is een man die de zoon is van een foute Duitser die hij zelf niet gekend heeft? En hoe Joods is de dochter van een vader die het jodendom zelf als twintiger vaarwel zei, en waarvan weinig Joods aanwezig was in het gezinsleven dan het gebruik van enkele Jiddisje woorden?

De onmogelijkheid van hun relatie is meer imaginair dan reëel. Van echte tegenpolen is geen sprake, en dus evenmin van een onmogelijke versmelting van werelden. In dat opzicht vindt Blom de relatie interessanter dan hij voor buitenstaanders in principe is, en de manier waarop wordt doorgehamerd op de vermeende tegenpolen, irriteert dan ook nogal.

Bieden de persoonlijke, menselijke aspecten van hun relatie Blom niet voldoende materiaal dat ze regelmatig terugkeert op het ‘onmogelijke relatie’-thema? Daar komt de lezer gedurende het verhaal eigenlijk niet achter. Blom werkt de menselijke aspecten van leven, liefde en sterven in ieder geval niet zodanig uit dat ze de lezer een nieuwe, interessante of originele kijk bieden op de mens, zijn kwetsbaarheid, afscheid en de dood. Voorzover de relatie tussen beide wordt neergezet, ga je je als lezer vooral aan die relatie en beide personen irriteren. Dat zou helemaal niet erg zijn als Blom dit ook daadwerkelijk zo bedoeld had – het zou zelfs van grootsheid getuigen – maar alles wijst erop dat dit niet het geval is.

Dit alles maakt dat De tuinkamer vooral een boek is met hetzelfde thema De Beauvoirs klassieker, maar dat qua uitwerking zelfs niet in de buurt komt van het Franse meesterwerk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *