Vrijdag, 26 oktober, 2018

Geschreven door: Woolf, Virginia
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

De uitreis

Vlijmend onbehagen

“’Ik stel voor dat iedereen uit dit gezelschap nu een korte biografische schets van hem- of haarzelf geeft,’ zei Hirst, die rechtop ging zitten. ‘Juffrouw Vinrace, u bent de eerste; begin maar.’
Rachel vertelde dat ze vierentwintig jaar oud was, de dochter was van een scheepseigenaar, dat ze geen behoorlijke opleiding had, pianospeelde, geen broers of zussen had, en bij haar tantes in Richmond woonde omdat haar moeder dood was…”

Halverwege De uitreis, de debuutroman van Virginia Woolf, nu eindelijk in het Nederlands vertaald, lijkt het of schrijver bezorgd is of haar lezers het allemaal nog kunnen volgen. Ze last het hier boven genoemde voorstelrondje in, tijdens een van de vele wandelingen die ze beschrijft. Dat voorstelrondje is geen overbodige luxe want tussen alle tientallen romanpersonen die Woolf in de roman opvoert en die dan met hun voornaam, dan met hun achternaam, dan weer als de zus van, de vriend van, oom van worden beschreven, verlies je zeker als lezer het overzicht.

Na twee boeken van Woolf weet ik: Woolf lezen is taai en alleen voor de volhouders. Ik las nu De uitreis en vorig jaar De Jaren, haar laatste boek. Ik had ze liever andersom gelezen, maar daarover later meer. Het zijn boeken die veel op elkaar lijken, zowel wat thematiek als de lengte betreft. Omvangrijke boeken, beide rond de 500 pagina’s, met veel details, fraaie uitgebreide beschrijvingen van mensen, huizen en hun inrichting en de natuur. In beide boeken gebeurt er niet zo veel, geen moord en doodslag, geen spannend plot, geen pageturner die je bij de strot grijpt, al heeft De uitreis een dramatisch einde. Het zijn boeken waarin het leven zijn gangetje gaat en dat maakt dat je zelf moet zorgen voor de concentratie. Virginia Woolf lezen te midden van tal van bezigheden, af en toe een paar bladzijden, werkt niet. Je moet er de tijd voor nemen, gaan zitten met een pot Engelse thee en je een middag afsluiten. Alsof je de zelfde ruststand moet aannemen van de personages in de beide boeken, want die doen ook nauwelijks iets. Toch, ondanks dit alles, intrigeren Woolfs boeken.

De uitreis en De Jaren bieden beide een bij vlagen venijnige zedenschets van het Engeland van de hogere klassen met al hun verstikkende conventies, aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. In beide boeken volgen we een groep van welgestelde mensen, vrij van arbeid, vrienden of familie van elkaar. Ze gaan bij elkaar op de thee, vieren feest, dansen, maken wandelingen, praten, vaak over muziek en boeken, in De jaren steeds meer over politiek, maar meestal is het niets anders dan roddelen en dan geven ze genadeloze oordelen over anderen. En Woolf doet er hier en daar nog graag schepje bovenop. De uitreis staat vol met korte beschrijvingen van haar personages die zowel meesterlijk als dodelijk zijn. Over een groepje mensen schrijft ze: “[…] en nog anderen, wier identiteit zo onderontwikkeld bleef dat de Ambroses [oom en tante van Rachel] niet eens opmerkten dat ze een naam hadden.” Over een van de oudere dames meldt Woolf: “Het was al haast twintig jaar geleden dat mevrouw Paley voor het laatst in staat was geweest haar eigen schoenen dicht te rijgen of zelfs maar te zien. […] Het was een egoïstische onafhankelijke oude vrouw.” En over een andere vrouw: “Haar lach klonk als het krassen van een Vlaamse gaai, alarmerend en vreugdeloos tegelijk.” Elders laat Woolf een van de mannelijke hoofdrolspelers de lunchtijd in het hotel waar het gezelschap is neergestreken vergelijken met het voederen van dieren in de dierentuin. Sommigen vergeleek hij met “nijlpaarden, sommigen met kanaries, sommigen met varkens, anderen met papegaaien en weer anderen met weerzinwekkende reptielen die zich om het halfverrotte kadaver van een schaap krulden.” In een debuutroman in het nette Engeland van toen – De uitreis verscheen in 1915 – zijn dit allemaal gewaagde formuleringen.

Scènes

Natuurlijk zijn er verschillen tussen de boeken. Waar De Jaren een halve eeuw Engelse geschiedenis omvat en waarin we zien hoe Engeland haar positie van wereldmacht in het begin van de twintigste eeuw kwijt raakt, daar gaat De Uitreis maar over een paar jaar. De Jaren volgt het wel en wee van de familie Pargiter. Woolf beschrijft drie generaties, waarin in de loop van de tijd de familie op stand steeds meer normale trekken begint te krijgen. Wie zien ook hoe de vrouwen uit de familie gaandeweg hun eigen leven durven te bepalen. [Kijk voor een uitgebreide bespreking hier] In De uitreis is dat laatste nog niet zover. Hoofdrolspeler in dit boek is hier al eerder genoemde Rachel Vinrace. Het is een bleu meisje, heeft nog weinig van de wereld gezien, is door haar vader kort gehouden, mocht niet naar school, moest braaf zijn en pianospelen. Veel dingen komen overeen met Woolfs eigen jeugd. Onder de vleugels van haar tante Helen Ambrose onderneemt Rachel een reis op een van de schepen van haar vader naar een niet nader genoemd Zuid-Amerikaans land. Ze praat met iedereen, is open en geïnteresseerd, maar ontdekt al snel de sleur in het bestaan van al deze mensen en dan komt er iets van opstandigheid bij Rachel naar boven. Tijdens de mis in het dorpskerkje bij het hotel merkt ze dat niemand zich interesseert voor de preek van de voorganger en dat de hele mis maar een soort van toneelstuk is. “Wat de oorzaak ook mocht zijn, voor het eerst in haar leven gleed Rachel niet weg in een vreemde, prettige wolk van emotie, te vertrouwd om er diep over na te denken, maar luisterde ze kritisch naar wat er gezegd werd. Tegen de tijd dat ze in een grillig ritme van gebed naar psalm, van psalm naar geschiedenis, van geschiedenis naar poëzie waren gesprongen, en meneer Bax [de voorganger/rd] zijn lezing hield, verkeerde ze in een staat van vlijmend onbehagen.”

De hekel aan de volwassen wereld van de upper class is een van de hoofdthema’s van het boek. Met twee jongemannen, de knappe Terrence Hewett en de bovengemiddelde intelligente en pedante St. John Alaric Hirst voert Rachel er menig gesprek over. Gelukkig wordt ze halverwege het boek verliefd op de knappe van de twee, weer zo’n typische jongeman die praktisch in elke Engelse romans uit de 19de eeuw en van voor WOII verschijnt: Mister Darcey-achtige heren die van elke jonge vrouw een afwachtend, smachtend muurbloempje weten te maken. Hoe traditioneel in een roman waarvan vaak is gezegd dat er feministische trekjes inzitten. En daarna gaat het boek er alleen maar over de hoe het de jonggeliefden vergaat. Ze praten en praten, tasten af en tasten af, spreekwoordelijk dan, ze hebben het over hun toekomst, over de verschillen tussen man en vrouw, ze willen alles anders doen, maar door het dramatische slot komt het daar niet van.

De Uitreis heeft een onbevredigend einde. Na alle kritiek op de leegte van de hogere klassen verwacht je een einde waarbij we een stap verder komen. Maar er veranderd niets. De leegte blijft. Alsof Virigina Woolf door had dat er toen zo aan het begin van de twintigste eeuw nog geen ontsnappen mogelijk was. Met De Jaren laat Woolf zien dat verderop in de twintigste eeuw van het leven wat die hogere klassen gewend waren nog maar weinig over bleef. Vrouwen kregen stemrecht en bepaalde meer en meer hun eigen leven. De crisis in de jaren dertig en de beide wereldoorlogen maakte dat Engeland wereldrijk af was en veel hoge heren en dames hun vermogen verloren en aan het werk moesten, zoals iedereen. Ook de Pargiters ontkomen niet aan deze nieuwe werkelijkheid. En dat zal Woolf op latere leeftijd gezien de hekel die ze etaleert voor deze klasse, haar eigen klasse, heel veel goed hebben gedaan. Je kunt stellen dat Woolf met het schrijven van De Jaren een acceptabel einde voor De uitreis heeft geschreven. Lees dus beide boeken!

Waarschuwing: wie de plot van De uitreis niet vooraf wil weten, lees dan de overigens uitstekende inleiding van vertaler Barbara de Lange, pas achteraf. Het is een grote spoiler.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles