Woensdag, 18 februari, 2009

Geschreven door: Lewin, Lisette
Artikel door: Hopman, Bob

De verloren savanne

Een Surinamer is men, maar wordt men nooit

Ik heb vele literatuurwetenschappers aan mijn kant als ik beweer dat een koloniale of postkoloniale roman (waaraan ik zelf nooit specifiek studie heb besteed), onmogelijk geschreven door een westerling een volkomen onwesters beeld kan weergeven. Het doet mij deugd om in De verloren savanne – een onmiskenbaar postkoloniale roman – te constateren dat Lisette Lewin (1939) het hierin met mij eens lijkt. Deze roman is geen poging tot ‘onwesterse’ objectiviteit.

In tegendeel: de hoofdpersoon, toch in feite het gereedschap van de verteller, is een goed opgeleide, blank joodse westerling van middelbare leeftijd. Haar naam is Loulou Speijer en haar rol als gereedschap ontleent ze aan haar licht conservatieve aard en culturele (Nederlandse) bagage. De verteller kan via haar het moderne Suriname beschrijven en zo ontwijkt de schrijfster slim het probleem van objectiviteit: alle ‘foute’ westerse paradigma’s zijn aan de hoofdpersoon toe te schrijven.

Loulou verliest aan het begin van het boek haar geliefde, en wil een lange vakantie. Die vindt ze in de vorm van een zoektocht naar haar herkomst, waarmee De verloren savanne tevens een historische roman wordt. Ze heeft enkele voorouders gehad in het blanke Suriname dat toen nog door Nederland was gekoloniseerd, en het lijkt haar een leuke hobby daar namen van te vinden. Of misschien heeft ze zelfs enkele indiaanse of zwarte voorouders, wat haar (om onduidelijke redenen) nog veel leuker lijkt. Vrijwel onvoorbereid en ontzettend naïef reist ze in haar eentje naar Paramaribo, waar ze uiteraard te horen krijgt dat ze net zo goed de koloniale archieven in Nederland erop na had kunnen slaan.

Enfin, ze is dan toch al in Suriname, en besluit daar op zoek te gaan ook. En ja hoor: een van haar verre voorouders blijkt indiaans bloed te hebben. De foute conclusie die Loulou daardoor trekt is dat zij zich door die indiaanse voorouder gaat beschouwen als ‘echte Surinamer’, hoewel een blanke natuurlijk. Ze vereenzelvigt zich met een volk dat zonder dat zij het goed beseft een vreselijke hekel heeft aan de blanke onderdukkers van weleer en dat bovendien bestaat uit indianen, Kameroenese en Ghanese zwarten, en nauwelijks een ‘echte’ Surinamer kent.

Boekenkrant

Dat de rechtse Loulou ook niet vrijuit gaat in haar gedachten over de Surinaamse geschiedenis blijkt als zij in een discussie roept dat de slavengeschiedenis maar eens vergeten moet worden: ‘Hoe lang is dat nou geleden? Hondervijftig jaar!’ De enige tragedie die ze vindt in oude geschriften betreft de moord op enkele blanken: ‘Veertig blanken waren gruwelijk afgeslacht.’ De gruwelen die de zwarten overkwamen ziet ze over het hoofd. En alle mensen in het oerwoud noemt ze pejoratief ‘bosnegers’.

In de zwakte van Loulou zit de kracht van De verloren savanne. Charles Speijer, ver familielid van Loulou en ook blanke Surinamer, is namelijk ergerlijk ‘goed’. Hij is sterk, charmant, dapper, rechtvaardig, etc. en hij functioneert als het geweten van Loulou’s Suriname. Alle foute beelden die de Nederlandse van het land heeft worden door hem rechtgezet, alle politiek incorrecte uitingen gesust. Net zo lang tot de lezer er jeuk van krijgt en langer. Misschien wel de prettigste scène uit de roman is die met een klein leugentje om eigen bestwil van Charles: hij valt van zijn voetstuk en verliest zijn haast messiaanse status. En hij herwint hem tegelijk: waar geen enkele Surinamer meer vrijuit gaat is het kwade minder kwaad en dus gerelativeerd, vergeeflijk.

Karaktertechnisch en narratologisch heeft De verloren savanne vele sterke punten. Op de minder technische, echt beschrijvende punten laat Lewin daarentegen grote zwaktes zien. Het verhaal bevat enkele terugblikken naar de tijd van Loulou’s voorouders – van datering voorzien – en door deze tijdsprongen ga ik mij gaandeweg afvragen wanneer het ‘heden’ exact is. Dit wordt namelijk lang verzwegen of, minder bewust, gewoon niet vermeld. Men betaalt met guldens, dus het is voor 2001; men leest de krant voor met de Nederlandse voetbaluitslagen: ‘Roda JC-Eindhoven 3-2, NEC-Ajax 0-2’. De laatste maal dat die vier in de eredivisie speelden was in 1977. Later blijkt het ‘heden’ echter 1997 te zijn en dus kloppen de (voetbal)gegevens niet. Dergelijke kritiek mag op muggenzifterij lijken, maar het is exemplarisch: een roman als deze, met een historische kant, staat of valt bij de juistheid van – vooral historische – details. Hier laat Lewin te veel steekjes vallen.

Met de uitspraak ‘The West is the West and the tourist is the tourist and never the Twain shall meet‘, gedaan door Loulou tegen het einde van de roman, lijkt ook de zichzelf als Surinamer beschouwende jodin hoogte te krijgen van wat de strekking van het boek moet zijn. Een buitenlander begrijpt dit land niet en zal het nooit begrijpen. De schrijfster expliciteert het, maar verzuimt in haar roman de lezer erin mee te laten voelen. Wat bijvoorbeeld Coetzee lukt in Disgrace, namelijk de lezer de absolute wanhoop van een onbegrijpelijke cultuur mee te geven, lukt Lewin in De verloren savanne niet. De verschillende culturen zijn te zeer ‘flat’ getoond. Loulou is teveel bezig met kleine uitstapjes en haar obsessie voor Charles, wat afleidt van wat het boek had kunnen doen: het aan de man brengen van de droevige historie van een gekoloniseerd, verloren land. Er zit veel schoonheid in de karakters, maar te weinig in de vertelling op zich.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *