Dinsdag, 23 november, 2021

Geschreven door: Spruit, Rinus
Recensie door: Trouwborst, Jannie

De verlossing van Jacob Smallegange

Authentiek verhaal met mededogen en humor

[Recensie] Van Rinus Spruit (Nieuwdorp, 1946) kan met recht gezegd worden dat hij een laatbloeier is, maar zeker geen eendagsbloem. In 2008 verscheen ter gelegenheid van de Week van het Zeeuwse boek zijn debuut als Zeeuws boekenweekgeschenk onder de titel: Zwieg stille. In 2009 herdrukt Cossee het boek met als titel De rietdekker, een familiegeschiedenis. Daarna verschijnt er met enige regelmaat een nieuw boek van zijn hand:Een dag om aan de balk te spijkeren (2013), Broeder schrijf toch eens (2017) en De wonderdokter (2019).

Meestal put hij uit zijn eigen leven om een boeiend verhaal te vertellen. Daardoor ontstaat de verleiding elk volgend boek ook als autobiografisch te willen duiden. Helaas werd daarop teveel nadruk gelegd naar mijn smaak in het interview over De verlossing van Jacob Smallegange, dat te zien was bij het boekenprogramma Brommer op zee. Dat bracht de schrijver in verlegenheid en deed het boek tekort. Laten we het daarom hier maar meer over de inhoud hebben.

Gerard Strobrand en Jacob Smallegange

Gerard Strobrand is een alleenstaande man van zestig jaar. Zijn werkzame leven zit er op en hij woont in het veel te grote huis, dat zijn ouders hem nagelaten hebben. Hij peinst erover hoe het verder moet. Hij houdt van het vrije uitzicht op de grote tuin en de omgeving, maar het onderhoud wordt te zwaar. Hij betrekt een rijtjeshuis in een dorp in de buurt. Maar hij komt er niet toe er echt zijn intrek te nemen, het valt tegen. De eenzaamheid en het ontbreken van een zinvolle bezigheid breken hem op. Hij vlucht het huis uit en zit veel op een vaste plek in een wegrestaurant waar hij weer van het uitzicht kan genieten: hij kijkt hoe de zon onder gaat achter de Abdijtoren van Middelburg. Vaak denkt hij terug aan zijn grootmoeder die tijdens zijn jeugd haar laatste jaren bij hen thuis sleet. Het spijt hem dat hij haar niet meer heeft kunnen vragen over haar leven. Een krantenartikel over een onderzoek naar de kindersterfte op de Bevelanden tussen 1850 en 1900 inspireert hem om zelf op onderzoek uit te gaan naar de tijd waarin zij een jonge vrouw was en kinderen kreeg.

Trouw

Het onderzoek boeit hem, geeft hem weer een doel. Maar toch mist er iets: een maatje, liefst een vrouw, om zijn oude dag mee te delen. Even lijkt dat te lukken als hij Martha leert kennen, hij trekt zelfs een paar jaar bij haar in. Maar het noodlot en zijn eigen tekortschieten in de omgang met vrouwen werken tegen. Steeds weer hoort hij zijn vader zeggen: “Jongen, jongen, jongen toch.” 

Het wegrestaurant wordt weer zijn vaste stek. Somber wordt hij ervan. Dan ziet hij tot zijn verrassing een paar dagen achter elkaar een ooievaar lopen op het grasveld bij het restaurant. Die avond neemt hij een besluit: hij gaat een verhaal schrijven over de verzonnen Jacob Smallegange, vroedmeester in Zuid-Beveland. Daarin kan hij alle verzamelde informatie over bevallingen en kindersterfte in de tijd van zijn grootmoeder kwijt. Als het af is, vraagt hij een typiste het voor hem uit te tikken. En weer raakt hij even in de veronderstelling dat er nog hoop is voor hem op een maatje. 

“Morgen, dacht hij, als het typen is voltooid, dan is er ruimte en rust. Dan kunnen we afstand van Smallegange nemen, want dan is hij bezorgd en onderdak. Dan kunnen we elkaar leren kennen. De typiste intrigeerde hem. Ze had iets mysterieus. Ze kwam graag bij hem. Zij zou de leegte die Smallegange achterliet kunnen opvullen. Die gedachte was de laatste dagen door zijn hoofd gegaan. We hebben elkaar nodig, dacht hij. Samen kunnen wij tot ontplooiing komen.”

Als hij daar op de laatste dag werk van wil maken, zegt ze terloops dat ze niet van katten houdt. De klik die hij dacht te voelen is meteen over. Hij zoekt zijn vertrouwde plekje in het wegrestaurant weer op en bekijkt het vertrouwde uitzicht. Morgen zal hij het manuscript opsturen naar 15 uitgeverijen. Er zal er toch wel Ă©Ă©n zijn die het uit wil geven? Helaas is er geen vogel te zien, ook de ooievaar niet van maanden geleden. Het is een bevlieging geweest, denkt hij.

Aan ons om te bedenken of dat op zijn laatste mislukte avance slaat of op het schrijven van het verhaal over Jacob Smallegange. 

Een verhaal in een verhaal

Rinus Spruit schrijft een verhaal over Gerard Strobrand die een verhaal schrijft over Jacob Smallegange. Wie de autobiografische boeken van Rinus Spruit heeft gelezen, zal bepaalde persoonlijke zaken herkennen in Gerard Strobrand. En Gerard Strobrand heeft op zijn beurt weer een connectie met Jacob Smallegange.

Wat de drie mannen gemeen hebben zijn de omstandigheden op latere leeftijd: eenzaamheid, het missen van een levensgezel en een doel in het leven breken hen op. Hoe voelt dat, hoe denk je terug, hoe herpak je jezelf? Rinus Spruit schrijft daarover in een authentiek verhaal en vervlecht daarin ook nog eens een interessant onderzoek naar de omstandigheden in de kraam- en zuigelingenzorg in de tweede helft van de 19de eeuw.

Het is duidelijk dat Rinus Spruit zijn draai gevonden heeft in het schrijven. En dat hij plezier heeft in het uitpluizen van historische, liefst medische, onderwerpen. Dat bewees hij al met De wonderdokter Albert Willem van Renterghem, naar een dagboek van de Zeeuwse Plattelandsarts Van Renterghem, de man die de hypnose en de psychoanalyse in Nederland introduceerde.

Terwijl Gerard Strobrand twijfelt aan zijn literair talent, hoeft zijn bedenker dat zeker niet te doen. Met De verlossing van Jacob Smallegange heeft Rinus Spruit weer een fijn boek geschreven. Hij heeft een vlotte pen, schrijft met mededogen en humor en leert ons terloops ook nog het een en ander. 

“En dan waren er nog de schapen op de Zeedijk. Ze lagen boven op de dijk te herkauwen in de zon, hun lichaam lichtjes schuddend op het ritme van hun hartslag. Soms liepen ze een eindje mee. Gerard had steun aan hen omdat ze in al hun wijsheid lieten weten dat ze het ook niet wisten. Driemaal kwam Gerard een gedicht van Hans Warren tegen. Manshoge pagina’s die uit de dijk leken te groeien. De letters waren uit een metalen plaat gefreesd, de wind waaide door de gedichten heen.” […] “De pagina wiegde lichtjes in de wind. De plaat was verroest, maar dat zou Warren niet erg gevonden hebben, het hoort bij het leven, mensen verroesten ook naarmate ze ouder worden.”

Eerder verschenen op Mijn Boekenkast