Dinsdag, 27 juni, 2017

Geschreven door: Goulson, Dave
Artikel door: Verplancke, Marnix

De vlucht van de hommel

Er is tegenwoordig meer natuur in de stad dan op het platteland

Niemand weet zoveel over hommels als Dave Goulson. Hij staat er ’s ochtends mee op, gaat er ’s avonds mee slapen en droomt er ’s nachts over. De laatste jaren zijn die dromen nogal eens nachtmerries, want de hommel dreigt net als de honingbij het kind van onze industriële landbouwrekening te worden. “Politici denken alleen aan economische groei,” zegt hij, “maar ze beseffen niet dat zonder bijen en hommels ook die groei er niet zou zijn.”

[Interview] Wanneer ik Dave Goulson vraag wat de knapste hommel is die hij ooit heeft gezien, beginnen zijn ogen te fonkelen. “Ongetwijfeld Bombus wurflenii,” zegt hij. “Het is een wonderbaarlijk diertje dat in de Europese bergen leeft. Het heeft een hele dikke vacht en is een specialist in het beroven van bloemen. Het is een echte inbreker, die in de bodem van de bloemkelk een gat maakt om bij de nectar te komen. Misschien niet de meest doordeweekse manier om je kost te verdienen, maar het is wel een bijzonder vernuftige.”

Dat Dave Goulson er net die Bombus heeft uitgekozen, zal wel geen toeval zijn. Speels, sluw en slim, het zijn eigenschappen die de man en de hommel gemeen lijken te hebben. “Ieder kind zit met grote ogen naar insecten te kijken,” verklaart hij. “De meesten groeien daar uit, maar entomologen niet. Die insectenonderzoekers blijven hun hele leven een beetje kind. Weet je, iedere keer ik er met mijn net op uittrek om vlinders en bijen te vangen, vind ik mezelf een ongelooflijk grote bofkont.”

Goulson, hoogleraar aan de universiteit van Sussex en elf jaar geleden de oprichter van de Bumblebee Conservation Trust, schreef tot nu toe drie boeken over hommels, waarvan De vlucht van de hommel het recentste is. Zoveel woorden over zo’n klein beestje, denkt u nu misschien, maar er valt dan ook heel wat te vertellen over deze harige zus van onze honingbij. Wereldwijd zijn er zo’n 20.000 soorten bijen. 250 daarvan zijn hommels, waarvan er zo’n 25 in België leven. Dat een hommel er lekker dik en warm uitziet is trouwens geen toeval. Het diertje leeft in koudere streken op het noordelijk halfrond, tot een stuk boven de poolcirkel. Via de Zuid-Amerikaanse bergen bereikte het Patagonië, maar in Afrika zal je tevergeefs naar een hommel zoeken. Het is er gewoonweg te heet om te bewegen.

Boekenkrant

In de vroege lente komen de koninginnen die onder de grond overwinterd hebben naar boven. Ze zoeken een geschikt plekje en beginnen een nest. Met het sperma dat ze al vanaf de vorige herfst in hun lichaam bewaarden bevruchten ze hun eitjes. Uit die eitjes komen werksters die het nest proper houden en uitbreiden, voor de nieuwe kleintjes zorgen en stuifmeel verzamelen. Op een bepaald moment begint de koningin onbevruchte eitjes te leggen. Dat worden de darren die tijdens hun leven niet veel anders doen dan eten, rondhangen en nieuwe koninginnen bevruchten. Deze vliegen op het einde van de zomer uit, op zoek naar een geschikt plekje om te overwinteren. De oude koningin sterft dan, samen met de overige 200 tot 250 hommels in het nest.

Hommels kruisen bijna nooit een mensenpad. Ze zijn niet verzot op vlees of zoet, zoals wespen, maar gaan hun eigen gangetje, van bloem naar bloem. Alleen de vrouwtjes hebben een angel en die gebruiken ze slechts in een noodgeval. Wanneer u een hommelnest in de tuin ontdekt is er dus geen enkele reden om het te laten verwijderen. Meer zelfs, u zou trots moeten zijn, want het is een teken dat u ecologisch goed bezig bent.

Dat het slecht gaat met de honingbij weten we al lang. Imkers houden netjes bij hoeveel korven ze hebben en hoeveel volkeren er iedere jaar weer uitsterven. Over wilde bijen en hommels weten we veel minder. Niemand houdt zich daarmee bezig, behalve Goulson en een paar collega’s natuurlijk. “We hebben kaarten waarop staat welke hommels waar voorkomen en daaruit blijkt dat bepaalde soorten het veel slechter doen dan andere,” vertelt hij. “In Groot-Brittannië zijn bijvoorbeeld drie soorten uitgestorven. Vier soorten zijn zelfs uit heel Europa verdwenen. Veel andere soorten zijn zeldzaam geworden of teruggedrongen tot kleinere gebieden waar inteelt dreigt, en waardoor ook de kans op ziekten toeneemt. Een eeuw geleden vond je overal in Europa een soort of twintig hommels. Nu is dat nog zes of zeven. Onlangs hebben we trouwens de eerste wereldwijde uitsterving van een hommelsoort meegemaakt, de Bombus franklini die alleen in Californië en Oregon voorkwam en al elf jaar niet meer is waargenomen.”

Waarom sterft zo’n soort opeens uit?

“Zeker weten we het niet, maar de Vlaming Roland De Jonghe zou wel eens boter op het hoofd kunnen hebben. Hij ontdekte eind jaren 1980 dat hommels bijzonder goede tomantenbestuivers zijn. Bijen kunnen dat niet. Er moet immers getrild worden in de bloem van de tomatenplant en dat doet alleen een hommel, jaarlijks zo’n twee triljoen keer. De Jonghe ging daarop aardhommelnesten telen voor de verkoop. Een aantal Belgische en Nederlandse bedrijven sprongen op de kar. De Amerikanen zaten daar met lede ogen naar te kijken, want wat ze ook probeerden, het lukte niet bij hen. Wellicht stuurden ze daarom een paar hommelkoninginnen naar Europa om ermee te kweken. Die werden hier gevoed met Europese bijenpollen die besmet waren met typische Europese ziekten. De Amerikaanse hommelnesten namen die ziekten mee naar huis en besmetten daar Bombus franklini, die op een paar jaar tijd volledig van de kaart werd geveegd. Tot zover de legende, want ook al wordt dit verhaal algemeen aanvaard, bewijs is er niet voor. Ook die ziekte is trouwens nooit gevonden. Bombus franklini was al uitgestorven toen men pas merkte dat er iets schortte.”

Stel dat de honingbij zou uitsterven. Kan de hommel haar plek dan innemen bij het bevruchten van planten?

“Er zijn planten die alleen door hommels bevrucht worden, zoals de tomaat, maar ik kan niet meteen aan een plant denken die alleen bijen gebruikt. Misschien zijn er wel een paar in de tropen waar het simpelweg te warm is voor hommels, maar daar zijn natuurlijk honderden andere soorten bevruchters, zoals vliegen en vlinders. In theorie is het dus best mogelijk dat wilde bijen en hommels de plaats van de honingbij zouden innemen, alleen zie ik dat nog niet meteen gebeuren. Als de honingbijen verdwijnen zullen ook de wilde bijen het niet halen. Zij worden immers met hetzelfde probleem geconfronteerd: dat we de wereld onbewoonbaar maken voor hen.”

Wat is de grootste bedreiging?

“De mens. Alle problemen die bijen hebben, zijn door ons gecreëerd. En er zijn er veel. Het eerste is het ongewild verspreiden van ziekten en parasieten. De bekende varroamijt kwam oorspronkelijk alleen in Azië voor, nu overal ter wereld. Gelukkig is ze vandaag alleen een gevaar voor honingbijen en niet voor wilde. De Aziatische bijendiarree die een paar jaar geleden voor het eerst opdook in Europa is dat echter wel. Wellicht geraakte die hier door mensen die bijen vervoerden. Hoe we het platteland veranderd hebben, is een nog groter probleem. Wilde bloemen zijn er bijna niet meer doordat onze landbouw overgegaan is op monoculturen en er herbiciden ontwikkeld zijn die velden vrijhouden van alle onkruid. In Californië wordt 80% van alle amandelen gekweekt, goed voor 300.000 hectare amandelbomen. Om die te bevruchten worden jaarlijks 1,7 miljoen bijenkassen op transport gezet naar daar. Daarna gaan ze naar andere velden in de V.S., om andere gewassen te bevruchten. Sommige kassen reizen wel 20.000 kilometer per jaar. En dat allemaal omdat er ter plekke geen natuurlijke bestuivers meer zijn. En dan zijn er nog de pesticiden. Tot in de jaren 1940 gebruikten boeren geen chemische middelen. Vandaag wordt een tarweveld jaarlijks met wel twintig pesticiden behandeld, een appelboomgaard met veertig. Sommige daarvan zijn extreem toxisch voor bijen, zoals de befaamde neonicotinoïden. Wanneer je naar de voedselvoorraad in een bijen- of hommelnest kijkt, zie je dat die vervuild is door pesticiden, zeker in de buurt van landbouwbedrijven. De honing in een gemiddeld bijennest bevat vijftien verschillende pesticiden. De kleine bijtjes worden grootgebracht op die cocktail. Alvorens een pesticide in Europa verkocht mag worden, wordt het op een aantal dieren getest, waaronder de honingbij. Men steekt zo’n bij 48 uur samen met die chemische stof in een proefbuis en als de bij er geen last van heeft mag het product verkocht worden. In de natuur gebeurt echter iets heel anders. Daar wordt de bij haar hele leven lang blootgesteld aan een cocktail van pesticiden. Wat daar de gevolgen van zijn, wordt niet onderzocht.”

Moeten we naar een andere landbouw?

“De Europese landbouwpolitiek is opgezet in de jaren 1950, met de honger van de oorlogsjaren in het achterhoofd. Er diende zo veel mogelijk voedsel verbouwd te worden op zo weinig mogelijk grond. We zijn nu zestig jaar verder en we leven in een andere wereld. Alleen heeft de EU dat nog niet echt door. Vandaag gaat het overgrote deel van de landbouwsubsidies naar industriële landbouw. Er zijn ook toelagen voor boeren die het anders willen aanpakken en de biodiversiteit willen bevorderen, maar die stellen niet veel voor. Hoe groter je boerderij, hoe meer geld je krijgt, is de huidige filosofie. Ik zie daar de logica niet van in. Waarom zouden wij het meeste belastinggeld moeten geven aan de rijkste boeren die hun duizenden hectaren onderdompelen in de pesticiden? Dat is toch de omgekeerde wereld? Het zijn de kleine boeren die duurzaam, organisch en lokaal willen werken die juist onze steun verdienen. Het is dus helemaal niet moeilijk om de Europese landbouw te veranderen. Daartoe dien je alleen een ander subsidiebeleid te voeren.”

Terug naar de keuterboer dus?

“Er is sluitend bewijs dat kleinere boerderijen minder pesticiden gebruiken, het aantal wilde dieren laten toenemen en ook nog eens productiever kunnen zijn dan de industriële landbouw. Een paar jaar geleden is daar in Groot-Brittannië interessant onderzoek naar gedaan. Er is gekeken naar de twee uitersten, mensen die een klein stukje grond bewerkten en daar heel veel verschillende groenten kweekten, en grote industriële monocultuurbedrijven. Zo’n klein perceel bleek veel arbeidsintensiever te zijn, maar het kon tot wel elf keer zoveel voedsel opbrengen. Als we de groeiende wereldbevolking willen blijven voeden, moeten we die weg dus inslaan en dat soort kleine initiatieven subsidiëren. Als we verder doen zoals we nu bezig zijn, leven we over veertig jaar in een steriele wereld die ons niet langer kan voeden. Volgens mij moet je echt geen genie zijn om dat te zien.”

Waarom zien onze politici dat dan niet?

“Omdat de grote landbouwbedrijven hun belangen willen veiligstellen en op hen inpraten natuurlijk, maar ook omdat er zo weinig politici zijn met een wetenschappelijke interesse. Het zijn bijna allemaal juristen of economen. Van de 600 Britse parlementsleden hebben er welgeteld 2 een diploma in de exacte wetenschappen. Een recente studie heeft aangetoond dat wanneer boeren 8% van hun land overlaten aan de natuur en er wilde grassen en bloemen laten groeien, zij veel minder pesticiden moeten gebruiken, de dieren terugkomen en de opbrengsten zelfs groter worden. Iedereen zou er dus bij winnen, met uitzondering van de producenten van pesticiden wellicht, maar toch gaan politici daar niet op in. Hoe wereldvreemd onze politici wel zijn ervoer ik twee jaar geleden toen ik door Friends of the Earth uitgenodigd werd om in het Britse parlement te spreken over landbouw, pesticiden en bijen. Tachtig parlementsladen hadden zich ingeschreven en dat vond ik lang niet slecht. Nu kan ik werkelijk iets betekenen, dacht ik. Toen ik die dag aankwam was er veel volk. Iedereen wou zijn foto laten nemen voor het ‘Save the Bee’-spandoek dat achteraan in de zaal stond. Toen dat fotomoment voorbij was en ik aan mijn voordracht begon, liep de zaal echter leeg. Van de tachtig stoelen waren er amper een handvol bezet. Politici hebben bijzonder weinig interesse in deze zaken. Tijdens de verkiezingen van vorige week ging het alleen maar over brexit, economie, immigratie en sociale uitkeringen, maar ze vergeten daarbij dat onze economie voor een groot stuk van bijen en hommels afhankelijk is.”

Maar gelukkig zijn de steden er nog, waar steeds meer aan stadslandbouw wordt gedaan, waar dieren weer een plaats krijgen en wilde grassen opschieten in voorheen met herbiciden bewerkte perkjes?

“Zo is het inderdaad. Ons platteland is ecologisch praktisch dood, ook al lijkt dit niet zo wanneer je er met de auto of trein doorheen rijdt. In parkjes en tuinen is de diversiteit groter. Er staan veel meer bloemen en er leven veel meer insecten en vogels. Daar zijn proeven mee gedaan. Neem twee hommelnesten, begraaf de ene in een tuin en de andere in de buurt van een veld. De eerste zal floreren, terwijl de tweede in het beste geval overleeft. De qua biodiversiteit rijkste gronden van Groot-Brittannië liggen in de rand rond Londen. Het zijn twintig jaar geleden verlaten industrieterreinen waar de natuur de kans gekregen heeft om terug te komen. En dat heeft ze ook gedaan. Ik vind dat goed nieuws, ook al krijg je dan mensen die klagen over de verloedering van onze omgeving, omdat het gras in de parkjes niet meer netjes gemaaid wordt. (lacht)”

Stadsplanners kunnen een nieuwe wijk dus beter in landbouwgebied intekenen dan op een voormalig bedrijventerrein?

“Het kan controversieel klinken, maar vanuit ecologische standpunt is dat volkomen waar. De politiek zal er natuurlijk anders tegenaan kijken, omdat landbouwgrond heilig is, maar hij is tezelfdertijd ook helemaal dood. Een nieuwe wijk bouwen op de plaats waar vroeger een tarweveld lag zal de biodiversiteit enorm verrijken. Ik begrijp wel dat mensen zich daar tegen verzetten, maar wetenschappelijk gezien hebben ze geen poot om op te staan.”

Hoe staat u dan tegenover het idee dat we de natuur moeten herwilderen en dus toppredatoren als wolven en lynxen moeten terughalen?

“Ik vind dat wel aantrekkelijk, omdat het niet betekent dat we teruggaan naar een bepaalde tijd of naar een bepaald landschap, maar dat we de natuur haar gang laten gaan. Er is geen doel waar naartoe gewerkt wordt. Het is niet zoiets als het beschermen van de heide, waar enorm veel werk in kruipt. Als niet alle kleine boompjes verwijderd zouden worden zou die heide binnen de kortste keren immers veranderen in een bos. Nee, het idee is dat je niets aanstuurt en kijkt wat ervan komt. Misschien wordt het mooi, misschien een mislukking. Dat zien we dan wel. Ik zeg niet dat we de heide moeten laten verloederen, absoluut niet, want dat zou alles maar tot een biologische verarming leiden. Wat ik wel beweer is dat misschien ieder land een stukje van zijn grondgebied weer aan de natuur zou moeten schenken, gewoon als experiment, gedurende een paar eeuwen.”

Zou dat ook de redding zijn voor hommels en bijen?

“Men heeft berekend dat het opzetten en onderhouden van een wereldwijd netwerk van beschermde gebieden waarin alle bedreigde vogels zouden worden opgevangen 76 miljard dollar per jaar zou kosten. Gigantisch, zegt u nu misschien, maar dat is een vijfde van de omzet van de frisdrankindustrie en de helft van hetgeen de investeringsbankiers op Wall Street jaarlijks in bonussen uitgekeerd krijgen. Haalbaar dus. In die gebieden zouden natuurlijk niet alleen die vogels een onderkomen vinden. Zij zouden wellicht zowat alle bedreigde dier- en plantensoorten bevatten, en dus ook alle wilde bijen en hommels. Gewoon een cola op vijf laten staan, zo eenvoudig is het.”

Eerder verschenen in De Morgen