Donderdag, 2 september, 2021

Geschreven door: Rochette, Fernand
Artikel door: Aghina, Bas

De vogel en de componist

Vogelzang als inspiratiebron

[Recensie] De Middeleeuwen kende een filosofisch-theologisch debat over wat de juiste bron van kennis en waarheid is: het boek van de natuur of het boek van de geopenbaarde religie? Natuur las men ook als een boek vol symbolische betekenissen; bronnen, heuvels en dieren waren regelmatig vingeraanwijzingen van een hogere macht. Iets daarvan zien wij nog in ons taalgebruik terug als we zeggen dat iets onder ‘auspiciën’ wordt georganiseerd, letterlijk onder de zegen van de auspes, de Romeinse vogelwichelaars. Zeker de Europese natuur raakte zo snel en sterk ‘onttoverd’ dat de boek-metafoor vanaf de zestiende eeuw plaatsmaakte voor die van het uurwerk. De natuur en haar wetten, eenmaal ontworpen en opgewonden door de Grote Klokkenmaker, zou uit zichzelf verder lopen. De betekenisvolle natuur leek te verdwijnen.

Opmerkelijker dan deze discussie is dat er al sinds Plato ook een uitweg uit dit debat was: via schoonheid kunnen wij ook reiken aan de hoogste ideeën – lees: idealen – van waarheid en het goede. Schoonheid, in haar vreemde mengelmoes van zich opgenomen weten, genot en ‘verlichting’ door loutering, is een waarde die mensen van allerlei ‘walks of life’ verbindt. De bron van deze schoonheidservaring is daarmee minder relevant. Zolang het schone in haar verschillende gedaanten maar wordt opgezocht, gedeeld en genoten, in het boek van de natuur of het boek van de religieus-levensbeschouwelijke cultuur, literatuur, religie/spiritualiteit, muziek, beeldende en danskunsten.

Het boek De vogel en de componist. Vogelzang als inspiratiebron van Fernand Rochette is een wonderlijk boek dat de beide boeken lijkt te verbinden. Als muziekliefhebber en muzikant ga je de wereld van onze gevleugelde vrienden en vriendinnen anders beluisteren door de oren van componisten. Zo’n 42 vooral Noord-Europese en Noord-Amerikaanse vogels en de 100 composities die zij bij meer dan 70 componisten hebben geïnspireerd, worden beschreven. Meer nog: de gezangen van vogels én hun uitwerkingen op de muziek zijn oproepbaar via QR-codes. Gezegd mag worden: het is intrigerend te horen hoe een en dezelfde vogel zoals bijvoorbeeld de nachtegaal – met zeventien composities een van de favorieten – componisten zoals Van Eyck, Pachelbell, Beethoven. Schubert, Berg – telkens weer hebben weten te inspireren. Verrassend, mooi en soms ook gewoon leuk.

Dat Rochette een even betrokken als kundig verteller is, helpt hierbij ook. De zinnen van dit boek jubelen je tegemoet net als de liefde voor muziek en gedrag en gezang van vogels.

Bazarow

Los van bekende klassiekers zoals de Volière uit Saint-Saëns’ Le carneval des animaux, Ralph Vaughan Williams’ The Lark Ascending, Beethovens Pastorale en het vogeloeuvre- van-de-buitencategorie Catalogue d’oisseaux (o.a. zeven (!) boeken vogelcomposities voor piano) van Olivier Messiaen en moderne klassiekers zoals André Rieus Un amour d’eté (zilvermeeuw), zitten er ook veel minder bekende juwelen tussen. Van het koorwerk Die Waldvögelein van Felix Mendelssohn-Bartholdy tot Einojuhani Rautavaara met diens Canticus Arcticus. Concerto voor vogels en orkest (1972) en het cellostuk Caprice and Elegy van Frank Delius dat Beatrice Harrison in haar tuin in samenspel met een lokale nachtegaal speelde en dat via BBC Radio van 1930 tot 1946 een regelrechte sensatie werd.

Juist deze bontheid van componisten en interactie tussen mensen en vogels, maken dit boek zo aantrekkelijk. Voor muziekliefhebbers zijn de beschouwende hoofdstukken over de fysiologische basis van zang, de functies en gehoor bij vogels, een kleine ‘openbaring’.

Wat het boek nog sympathieker maakt is dat het ook de lichtere ‘vogelmuziek’ een plaats geeft: The Kinks’ End of the Season (zanglijster), Kate Bush A sky of honey (onder andere houtduif, merel), Toots Tielemans’ Cuckoo in the Clock, Jean Boutterey met zijn opvallende De nagtegaal en drums komen langs net als het bekende school-wandellied Kom mee naar buiten allemaal! Dan zoeken wij de wie [-ie-ie-] lewaal van Andries Hartsuiker.

Informatieve en mooi geïllustreerde vogelprofielen worden afgewisseld met gedetailleerde ontstaansgeschiedenissen van composities en biografieën van hun componisten. Toch wel wat Beethoven gewend was het voor mij nieuw dat de bekendste noten uit de Europese klassieke muziek – het motief van Beethovens Vijfde – waarschijnlijk onbewust Ludwig bereikt hebben tijdens zijn wandelingen in het Praterpark via het gezang van de geelgors, die met drie gelijke korte noten en één lagere, langere noot in aantal variaties floot dat het een lieve lust was. De latere, dove Beethoven zou zelfs aan leerling Czerny gevraagd hebben: “En, is de geelgors nog te horen?”, wellicht hintend op de vraag of zijn Vijfde nog uitgevoerd werd. Gelukkig geeft Rochette aan dat of deze inspiratie letterlijk en bewust heeft plaatsgevonden natuurlijk niet is te achterhalen. Om bijna knipogend eraan toe te voegen: “Elke vogelliefhebber weet dat de zang van de geelgors echt sprankelend klinkt wanneer de hitte boven de tarwevelden de lucht doet trillen.” Deze noten zijn als ‘noodlots’-motief gemunt door Beethovens biograaf Anton Schindler die zei: “Zo klopt het noodlot aan de deur”. Dit roept bij een lezer mooie vragen op: zou deze symfonie eenzelfde impact gehad hebben als de bijnaam ‘De Geelgors’ zou zijn geweest? Of klinkt hier de strenge geelgors, die het komende noodlot van onze natuur aan de vooravond van de industriële revolutie al aankondigde?

Twee echte klappers – maar er zijn zo nog tig verrassende composities te vinden – van compleet tegengestelde aard zijn Janequins Le chant des oiseaux (1529) en Fassets Symphony of the Birds (1960). Het eerste is vol onomatopeeën als “Frian, frian, frian (…) Ticun, ticun, ticun (…) [canonisch/door elkaar]”. Wie dit Renaissancestuk beluistert, gaat bijna denken dat Stockhausen voor zijn meesterwerk Stimmung een Janquins-vogeltje moet hebben gehoord in een of ander frans bos… Fassets Symphony of the Birds is samengesteld uit elektronisch bewerkte (onder andere versnelde) opgenomen vogelgezangen; meer soundscape dan symfonie heeft het een geheel eigen charme.

De vogel en de componist. Vogelzang als inspiratiebron werkt ook wonderlijk op een andere manier: het maakt van deze muziekliefhebber ook een grotere vogelliefhebber, die onbewust teruggaat naar zijn eigen jeugd in een bos. Maar maakt het van vogelliefhebbers ook grotere muziekliefhebbers? Dat zou zo maar kunnen… De onderliggende ambitie van dit boek stuurt hier wel zachtjes op aan: demonstreren en onderbouwen in essays hoe vogelgezang – en natuur in het algemeen – met muziek ook vertroosters en media kunnen zijn om tot ‘mindfulness’ te komen:

“Wie kan genieten van het heen en weer wippende staartje van de winterkoning, van het plotse gejodel van de wielewaal en van de vele vogels die live in de natuur optreden, in een kwartet of symfonie, die bevindt zich dicht bij een onuitputtelijke levensbron.”

Terecht verbaast Rochette – oorspronkelijk schoolpsycholoog en hogeschooldirecteur – zich erover dat natuur- en muziekbeleving zo laag ‘scoren’ in lijsten met generatoren van gelukbelevingen. Terwijl steeds meer wetenschappelijk onderzoek aantoont dat muziek, natuurbeleving en hun kruisbestuivingen bijna garant staan voor hogere levenskwaliteit. De spelende mens ontmoet de spelende vogel, ook al is het zangspel van vogels meestal zeer functioneel voor territoriumafbakening, voortplanting, alarmering enz. Maar, laten we eerlijk zijn, ook in de mensenwereld is het zingen van liederen, spelen van muziek een beproefd middel om geluk met anderen te vinden; L’art pour l’art blijkt meer en meer een relatief begrip.

Dit boek verdient door zijn brugfunctie en verrassende aanpak het ook om vertaald te worden, wellicht met wat aanvullingen; iets waar de auteur lezers ook actief tot uitnodigt. Een eerste poging: Debussy’s solofluitstuk Syrinx? Inderdaad,het geluidsorgaan van vogels, maar kun je dat spotten en muzikaal “evoceren”? Of Stravinsky’s De Vuurvogel? Alleen, wie heeft ooit een feniks horen zingen? Dan wel diens Le chant du rossignol… We blijven zoeken, zoals vogelaars turen.

De combinatie vogelgids en muzikaal naslagwerk, is een werk dat een brug slaat met encyclopedische dimensies. Het past in een reeks van boeken – zoals Spitzers Muziek. De muzikale mens. Een wereldgeschiedenis – waar de muzikale ervaring als integraal onderdeel van menselijke en natuurlijke ontwikkeling wordt beschreven, begrepen en zo ook intensiever kan worden genoten. Zien wij zo hoe het boek van de natuur en dat van de mensen en het hogere, meer en meer één boek lijken te worden voorzien van ontelbare mooie bladzijden, die knisperen en tsjirpen?

Om met Sibelius te besluiten:

“Vandaag om tien voor elf zag ik zestien zwanen. Een van mijn grootste ervaringen! God, wat mooi! Ze hebben lang boven me gecirkeld. Ze verdwenen in de nevel van de zon als een glanzend zilver lint. De geluiden zijn als een soort houtwind, hetzelfde als het geluid van de kraanvogels, maar dan zonder de tremolo. (…) Een laag refrein, dat lijkt op het huilen van een klein kind. Natuurmystiek en de pijn van het leven! De finale van de vijfde symfonie. Ligatuur in de trompetten! Dit moest mij overkomen, die al zo lang een buitenstaander is. Dus ik ben vandaag, 21 april 1915, op een heilige plaats geweest.”

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles