Vrijdag, 24 april, 2020

Geschreven door: Durastanti, Claudia
Artikel door: Verplancke, Marnix

De vreemdelinge

Bloedmooi boek over dove ouders

[Recensie] “De autobiografie is het stiefkind van de literaire genres,” schrijft Claudia Durastanti in De vreemdelinge, “omdat die de drempel verlaagt. Ze is in handen van vluchtelingen, vrouwen, gehandicapten, overlevenden van de Holocaust, overlevenden van wat dan ook.” Ze heeft het dan over het autobiografische schrijven van haar dove moeder, maar het geldt net zo goed voor haar eigen boek natuurlijk, De vreemdelinge, dat een bijzonder eigenzinnige cocktail van autobiografie, essayistiek en fictie brengt, en meteen ook een ode aan de hybriditeit van de mens is, want zijn we niet allemaal een beetje een cocktail van autobiografie, essayistiek en fictie?

Toen Durastanti haar moeder vroeg hoe zij haar vader ontmoet had, deed deze het verhaal over een avond op een brug in Trastevere. Ze zag een man over de afrastering klimmen, greep hem bij de schouder en redde zijn leven. Toen Durastanti daarop haar vader vroeg hoe hij haar moeder had leren kennen, vertelde hij een heel ander verhaal. Op een dag zag hij hoe in het station Trastevere een jonge vrouw lastiggevallen werd door een groepje jongeren. Hij moeide zich ermee, wist de jongeren te verjagen en redde zo haar leven. Twee verhalen dus, maar wel met overeenkomsten, want de clou was in beide dat het liefde op het eerste gezicht was, en dat die liefde gesterkt werd doordat ze beiden doof waren.

Gek, die twee verhalen, bedenkt Durastanti, aangezien haar ouders moeite hadden met fictie. Wanneer ze samen met haar moeder tv keek, stelde die keer op keer dezelfde vraag: “Is dat echt gebeurd?” En wanneer ze hoorde dat dit niet zo was, verloor ze steevast haar aandacht. Voor Durastanti’s vader, een echte filmliefhebber, ging dat zelfs nog een stuk verder. Na het zien van Taxi Driver ging hij recht naar de badkamer en riep hij “Are you talking to me?” naar de spiegel. The Evil Dead was voor hem niet meer of minder dan een documentaire. Het had ongetwijfeld met hun doofheid te maken, schrijft Durastanti, maar als lezer vermoed je dat er meer aan de hand was, en dat ze het moeite hadden met fictie omdat ze zelf een fictioneel leven wilden leiden, een leven vol grootsheid en fantasie. Niet alleen waren ze allebei problematische gokkers, niet lang voor de geboorte van Durastanti zegden ze allebei hun veilige en royaal betaalde baan in Rome op om naar New York te verhuizen en er als kunstenaars aan de kost te komen. Ook dat was een gok, en zoals zovelen weten die ooit tegen het ochtendgloren wat verfomfaaid een casino zijn uitgestapt, gokkers verliezen meestal.

Lang duurde de idylle echter niet. Zes jaar later keerde moeder met haar twee kinderen terug en ging ze in haar geboortestreek Basilicata wonen, het enkelgewricht in de voet van Italië. Voor de kleine Claudia was het een hele verandering. “Ik kwam van het asfalt,” schrijft ze metaforisch, “en in dat dorp waren alleen maar stenen.” Maar voor moeder ging het leven gewoon door. Ook daar droomde ze over een bestaan als kunstenares, dronk ze te veel en leefde ze als een pauper, iets wat Durastanti pas ging beseffen toen ze midden jaren 2000 in Rome ging studeren. “Je eet als een armoezaaier,” merkte haar eerste werkgever op, en dus probeerde hij haar samen met zijn vrouw op te voeden tot een gehoorzaam huisdier. Niet lang daarna nam ze ontslag.

Wandelmagazine

“Mijn rusteloosheid en wispelturigheid heb ik van mijn moeder,” schrijft Durastanti, die inmiddels al negen jaar in Londen woont en zich daar hoe langer hoe minder thuis voelt. Ze is een vreemdelinge, beseft ze, net als de hoofdrolspeelster uit de gelijknamige roman van de Poolse schrijfster Maria Kuncewiczowa die zich in Polen een Russische ballinge voelt en in Duitsland een Poolse. En ook met Camus’ Meursault heeft ze wel iets gemeen, beseft ze, wiens afwijzing van de wereld hem onoverwinnelijk maakt.

De vreemdelinge is een bijzonder boek en Durastanti is een bijzondere schrijfster. Niet alleen is ze een kei in het doorgronden van de psyche van haar personages en weet ze die in een breed cultureel kader te plaatsen, ze is ook een secuur observator van de natuur, zowel die van de Basilicata als die van de Brooklynse Dead Horse Bay, een strand vol afval waar New Yorkse jutters op zoek gaan naar oud glaswerk. Misschien is Durastanti ook zelf wel zo’n strandjutter, ga je tijdens het lezen beseffen, iemand die tussen de brokken van het verleden op zoek gaat naar de kostbaarheden die haar maken tot wie ze is. En met wat ze vindt is ze ondanks alles toch blij, zoals mag blijken uit hetgeen ze met een knipoog naar hun doofheid over haar ouders schrijft: “We hebben elkaar heel veel pijn gedaan, maar we deden ons best om elkaar te begrijpen.”

Eerder verschenen in De Morgen