Vrijdag, 7 juni, 2019

Geschreven door: Alberts, A.
Artikel door: Heumakers, Arnold

De vrouw met de parasol

Een aquarel uit de tijd van het impressionisme

[Recensie] Een aquarel uit de tijd van het impressionisme – daar doet A. Alberts’ nieuwe novelle [1991/red.] aan denken. Van dichtbij vage vlakken, dunne strepen, van veraf een duidelijke, markante voorstelling. De titel hoeft er niet voor te veranderen: De vrouw met de parasol. Je ziet haar dank zij Monet, Renoir of Seurat moeiteloos voor je, vooral nadat zij halverwege het boek naar Parijs is vertrokken en daar op een terrasje een paar bladzijden lang haar tijd in afwachting verdoet.

Veel wordt aan de fantasie van de lezer overgelaten. Wat men leest lijken slechts de omtrekken van het verhaal te zijn, die pas als je beter kijkt de essentie blijken weer te geven. Met dezelfde gegevens had een ander een overvolle naturalistische roman kunnen schrijven. Alberts heeft dat, zoals te verwachten viel, niet gedaan. Bij hem mag je al blij zijn als op grond van de aanwezige gegevens zulke elementaire zaken als tijd en plaats kunnen worden vastgesteld.

Wanneer speelt De vrouw met de parasol zich af? Afgaande op de Portugese “anarchisten” die ergens ter sprake worden gebracht en het Rijksmuseum (dat in 1885 openging) houd ik het op de jaren rond de eeuwwisseling. Het Rijksmuseum geeft ook aan waar de novelle zich afspeelt: in Amsterdam, vanwaar vervolgens reizen – per trein en boot – worden ondernomen naar Parijs, Duitsland en Londen.

Het milieu dat wordt verlaten is eveneens zeer Hollands: zuinig, benauwend, zonder franje. Een milieu van gegoede kooplieden (men bezit een handel in “drogerijen en comestibles”) waarin de “vrouw met de parasol” door haar huwelijk binnentreedt. Eigenlijk heet zij Aafje, maar zo wordt zij door haar schoonmoeder, de broers van haar man en haar schoonzuster niet genoemd. Alberts suggereert waarom dat zo is, wanneer hij de reactie weergeeft van de schoonzuster die Aafje op straat ziet aankomen: “Waarachtig! riep Julia. Ze is het. Met de kleine Pieter aan de hand. Met haar parasol. En met zo’n hoed!” Hoed en parasol zijn blijkbaar voldoende om haar in het koopliedenmilieu een air van frivoliteit te bezorgen.

Archeologie Magazine

In zijn novelle laat Alberts zien hoe haar leven mislukt. Een mislukking die alles te maken heeft met haar man Pieter, een “lapzwans” in het weinig subtiele idioom van zijn moeder. Door zijn beide broers is Pieter uit de zaak gezet vanwege gebleken “ongeschiktheid”. Met het maandgeld dat hij voortaan van hen ontvangt, gaan hij en zijn vrouw reizen. Dat wil zeggen: ze bestellen bij “Cook” treinkaartjes naar Parijs en bespreken een hotel.

Al na een week keert Pieter naar Nederland terug, met een smoes, om vervolgens een reisje naar Duitsland te maken, terwijl Aafje achterblijft in Parijs. De mislukking is dan compleet: niet alleen is Pieters carrière op niets uitgelopen, ook zijn huwelijk met Aafje is verzand in besluiteloosheid. Hoe het verder moet, weet geen van beiden. De brief die hij haar uit Duitsland stuurt, begint nog wel hoopvol met “Lieve schat”, maar het eind ontbreekt, de brief houdt halverwege op. Precies zo vergaat het hun huwelijk, want nadat Aafje (met een Oostenrijks meisje dat zij in Parijs heeft leren kennen) naar Londen is vertrokken zal zij tijdens de terugreis naar Nederland verdrinken.

Het is een treurige geschiedenis, onvoorstelbaar sober en laconiek verteld, in een taal die zich zelden ergens druk om lijkt te maken. Emoties zijn er voornamelijk om onder de duim te worden gehouden. Toch vlamt in De vrouw met de parasol de emotie even op aan het eind, als de veerboot met Aafje aan boord op het havenhoofd in tweeĂ«n is gebroken en zij zich de indruk herinnert die ze bij hun kennismaking op Pieter had gemaakt: “…toen Aafje op hem toekwam, wist hij, dat hij bij haar (…) bescherming zou vinden. Hij zei het anders: dat ze elkaar moesten beschermen, maar ze begreep wel, dat het vooral van haar kant zou komen en dat vond ze niet erg, naderhand ook niet, wel van tijd tot tijd wat irriterend.”

De passage onderstreept nog eens het echec, door te laten zien welke ooit aanwezige hoop nu definitief de bodem is ingeslagen. Het noodlot blijkt altijd sterker. Maar eigenlijk klinkt dat al veel te zwaar op de hand; het herinnert aan een calvinistische doem, die Alberts dank zij zijn onnadrukkelijke manier van vertellen nu juist weet te vermijden. De rampen in zijn werk lijken eerder het gevolg van een raadselachtige samenloop van omstandigheden, waartegen zijn personages geen verweer hebben.

Helemaal zeker weten doe ik dat overigens niet. Alberts heeft de gewoonte zoveel weg te laten, dat rondom zijn verhalen ruimte genoeg is voor alle mogelijke interpretaties. Alleen dreigt dan het gevaar dat het verhaal ten slotte vervluchtigt in de interpretatie. Het beste is daarom vast te houden aan het beeld van de aquarel – in een oogopslag te overzien en te bewonderen, zonder begrepen te hoeven worden. Misschien gebruikt Alberts wel zo weinig woorden, omdat elk woord teveel die primaire reactie onmogelijk zou maken.

Eerder gepubliceerd in De Volkskrant en op arnoldheumakers.nl