Vrijdag, 20 juli, 2018

Geschreven door: Verschaffel, Tom
Artikel door: Deseure, Brecht

De weg naar het binnenland

Hic sunt dracones? 

De achttiende-eeuwse literatuur van de Zuidelijke Nederlanden in kaart gebracht

[Recensie] Eind 2016 verscheen De weg naar het binnenland, het langverwachte laatste deel in de reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. De ambitieuze reeks was een initiatief van de Nederlandse Taalunie en stond onder hoofdredacteurschap van Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom. De negen volumes werden geschreven door in totaal elf auteurs en bieden een chronologisch overzicht van de Nederlandse literatuur van het prille begin tot 2005. Als historicus temidden van letterkundigen lijkt Tom Verschaffel de vreemde eend in de bijt onder de auteurs. Dat is echter buiten zijn grondige vertrouwdheid met de cultuurgeschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende en negentiende eeuw gerekend. Zo blijft zijn boek De hoed en de hond (1998), over de Zuid-Nederlandse geschiedschrijving in de achttiende eeuw, voor zowel historici als letterkundigen een standaardwerk.

Verschaffels aandeel in de reeks is op het eerste gezicht het minst dankbare. Het cliché wil dat de katholieke, Habsburgse Nederlanden in de achttiende eeuw ten prooi waren aan geestelijke verschraling en dat ze op letterkundig vlak niets gedenkwaardigs hebben voortgebracht. Inderdaad zoekt men vergeefs naar titels die de tand des tijds hebben overleefd. In de canon van de Nederlandse literatuur zijn de achttiendeeeuwse Zuidelijke Nederlanden onzichtbaar. Van die schijnbare zwakte heeft Verschaffel een sterkte gemaakt. Hij trapt niet in de val van een al te gewilde herwaardering van een miskende literaire productie, noch doet hij zich voor als een parelvisser die juwelen opduikt uit de literaire vergetelheid. Centraal in zijn boek staat de vraag hoe het ontbreken van prestigieuze literaire teksten in deze periode kan worden verklaard.

Zijn benadering is strikt functioneel: welke rol speelde het Nederlands als recensie schrijftaal in de toenmalige samenleving en voor welke doelen werd het gebruikt? Het antwoord op deze vragen maakt duidelijk dat de relatieve dorheid van de Zuid-Nederlandse literatuur slechts één kant van de medaille toont. Veel meer dan de Republiek waren de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw een meertalige samenleving.

Hereditas Nexus

Het Nederlands bestond er naast twee gevestigde cultuurtalen met een sterke literaire traditie: het Latijn en – vooral – het Frans.

Het geletterde deel van de samenleving beheerste meerdere talen en bediende zich ervan in functie van het doel van de tekst en het beoogde publiek. Bellettrie, wetenschappelijke literatuur en opiniërende literatuur waren per definitie bedoeld voor geschoolde lezers en werden daarom haast automatisch in het Latijn of het Frans gesteld.

Het werk van in het Frans schrijvende Zuidelijke Nederlanders, zoals de katholieke opiniemaker François-Xavier de Feller of de kosmopolitische edelman Charles-Joseph de Ligne, werd tot ver over de grenzen gelezen en heeft nadien wél zijn uitstraling weten te behouden. Schrijvers die zich van het Nederlands bedienden richtten zich daarentegen op een lokaal, Zuid-Nederlands publiek. Zelfs tot de Republiek drong deze literatuur nauwelijks door. Aan deze eigenheid ontleent Verschaffels boek zijn intrigerende titel: in de achttiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden was het Nederlands bedoeld voor binnenlands gebruik. Bovendien kreeg de taal er, hand in hand met de geleidelijke ontwikkeling van een Zuid-Nederlands identiteitsgevoel, specifieke kenmerken.

De Republiek en de Zuidelijke Nederlanden waren, in Verschaffels woorden, elkaars buitenland geworden en dat weerspiegelde zich in een aparte taalontwikkeling. Verschaffel neemt uitgebreid de tijd om de maatschappelijke context van de Zuid-Nederlandse taalsituatie te schetsen. Hij toont daarbij overtuigend aan dat de verschillende talen aan verschillende behoeften beantwoordden, waarbij gebruikers vlot omschakelden naar gelang de omstandigheden. Aan prestigieuze literaire teksten in het Nederlands was er geen nood, aan andere genres dan weer des te meer. Niet dat deze vanzelfsprekende meertaligheid zonder spanningen was: bezorgdheid om de teloorgang van hun moedertaal zette verschillende auteurs ertoe aan om de verdediging van het Nederlands op zich te nemen, onder meer via de publicatie van Nederlandse spraakkunsten en van hekeldichten op de francomanie van hun landgenoten. Mijlpalen in deze taalstrijd zijn onder meer de Oordeelkundige verhandelingen op de noodzaekelijkheijd van het behouden der Nederduijtsche taele en de noodige hervormingen in de schoolen (1780) van Willem Frans Gomaar Verhoeven en de Verhandeling op d’onacht der moederlyke tael in de Nederlanden (1788) van Jan Baptist Chrysostomus Verlooy.

In het tweede hoofdstuk gaat Verschaffel in op de infrastructuur van het Nederlandstalige literaire bedrijf. Bij gebrek aan schone letteren speelde dat zich vooral af in schouwburgen en rederijkerskamers en in mindere mate ook in populairwetenschappelijke en spectatoriale tijdschriften. Meer dan tot lezers richtte de Nederlandstalige literatuur zich in deze periode tot toehoorders. In Brussel, Gent en Antwerpen bloeide naast het Franstalige circuit een Nederlandstalig toneelleven. De literaire oorspronkelijkheid en ambitie van het repertoire waren ondergeschikt aan zijn amusementswaarde, maar er werd wel een groot publiek mee bereikt. Een nog veel grotere impact had het rederijkerstheater. Over de hele Zuidelijke Nederlanden waren tientallen rederijkerskamers actief, soms tot in kleine dorpen. Ze werden bemand door leden van het lokale establishment die zich met elkaar en met andere kamers maten in dicht- en toneelwedstrijden. Het werk dat ze voortbrachten had een fundamentele maatschappelijke gerichtheid en was trouw aan de gevestigde orde. Religieuze thema’s en spektakelvoorstellingen overheersten. De vraag naar repertoire was zo groot dat de rederijkers naast eigen werk ook veel vertalingen of bewerkingen van buitenlandse stukken opvoerden.

In de volgende drie hoofdstukken staat de literatuur zelf centraal. Een interessant hoofdstuk is gewijd aan literaire opvattingen en genres. Het internationale debat daarover werd ook in de Zuidelijke Nederlanden gevoerd, zij het grotendeels met aan het buitenland ontleende argumenten. De heersende ideeën over poëtica en speelstijl werden in de achttiende eeuw in vraag gesteld, wat zich onder meer uitte in de publicatie van ‘Rym-konsten’ en theatrale verhandelingen. Het nieuwe onderzoek dat de afgelopen jaren naar deze debatten is gevoerd wordt door Verschaffel mooi gesynthetiseerd en met citaten aanschouwelijk gemaakt.

In de laatste twee hoofdstukken staat telkens een belangrijk maatschappelijk domein centraal waarop de literatuur haar uitwerking had: religie en politiek. De religieuze literatuur was bij uitstek gericht op een breed, binnenlands publiek en werd daarom in het Nederlands gesteld. Een erg interessant deelthema van de religieuze lectuur betrof de controverse over de katholieke (anti-)verlichting. Zo leidde de geloofcrisis van de priester Jozef de Wolf, die ook moraliserend werk en hertalingen van klassieke auteurs publiceerde, tot het verschijnen van zijn bundel De geest der reden (1777), waarin hij fundamentele geloofspunten aan een rationalistische kritiek onderwierp. Dergelijke opmerkelijke publicaties geven reliëf aan het heersende beeld van de achttiende-eeuwse religieuze literatuur als zouteloos en prekerig.

Ook de politieke literatuur kende haar controverses. Het Nederlands leende zich uitstekend voor lof- en treurdichten op de landsheer en andere vorstelijke personages, waarmee de onderdanen hun verkleefdheid aan de bestaande orde uitdrukten. Vorm en inhoud van deze teksten waren tamelijk clichématig, in tegenstelling tot de saillante politieke geschriften die ontstonden in het kader van de politieke omwentelingen aan het einde van de eeuw. De polarisering van de publieke opinie vond haar uitdrukking in een levendige pamfletliteratuur die vormelijk inventief en inhoudelijk vaak uiterst brutaal was. Wiens nieuwsgierigheid wordt niet gewekt door titels als Patriotisch gezang op den verwarden haspel der nieuwigheyds-zoekers en twist-zaeyers (1790) of Levensbeschryving der Nederlandsche ex-souveryne bloedhonden, en van des zelfs aenhang (1790-1792)? Verschaffel levert een belangrijke bijdrage tot onze kennis over deze literatuur, die vanwege zijn enorme omvang nog vele onbekende territoria herbergt.

Verschaffels aanpak is een historische en geen letterkundige. Maar wie treurt om het gebrek aan zuiver stilistische en literaire analyses miskent de rijkdom van dit boek. Verschaffels functionele invalshoek maakt een groot en weinig bekend literatuurveld overzienbaar en inzichtelijk. Veel van de door hem besproken literatuur veroudert slecht, getuige het gebrek aan interesse bij de hedendaagse, niet-gespecialiseerde lezer. Hoewel hij uitdrukkelijk niet naar volledigheid heeft gestreefd, brengt Verschaffel niettemin een enorm aantal teksten en auteurs bij elkaar uit een breed sociaal en geografisch bereik (interessant is bijvoorbeeld de omvangrijke rederijkersliteratuur uit Frans-Vlaanderen). Hij citeert rijkelijk uit een corpus dat grotendeels in de vergetelheid is geraakt, zonder een esthetisch oordeel te vellen of voor herwaardering te pleiten. Wel toont hij aan wat de functie was van deze literatuur en in welke contexten er in de meertalige Zuid-Nederlandse samenleving wél voor het Nederlands werd gekozen. Verschaffel brengt kortom een prachtige en erudiete synthese, die dankzij zijn kenmerkende elegante schrijfstijl ook nog eens uiterst lezenswaardig is.

Eerder verschenen in Vooys