Woensdag, 4 september, 2019

Geschreven door: Bernlef, J.
Recensie door: Heumakers, Arnold

De witte stad

In het lunapark

[Recensie] Aan wie er oog voor heeft onthult de geschiedenis zo nu en dan haar ironische karakter. In het jaar waarin onder Parijs een Europees Disneyland opengaat, publiceerde J. Bernlef een roman over Dreamland, een verwant lunapark dat tussen 1904 en 1911 op Coney Island (New York) de massa vermaak bood. De ironie zit hierin, dat Dreamland volgens Bernlef ten onder ging aan de opkomst van de film, terwijl het nu juist de film is waaraan Disneyland, zowel in Californië als in Europa, zijn bestaan te danken heeft.

Van ironie naar perpetuum mobile lijkt in dit geval maar een kleine stap. Wie weet staat in de toekomst nog eens een nieuwe Bernlef op om van Disneyland een roman te maken, als dit pretpark onder de druk van een nu nog niet te bevroeden vermaakmiddel zal zijn bezweken. Met de veranderlijkheid van de geschiedenis doet de literatuur intussen haar voordeel, want zij leent zich bij uitstek voor de herinnering en herleving op papier van wat in werkelijkheid tussen de maalstenen van de tijd is verloren gegaan.

De kans dat Bernlef zelf ooit een roman aan Disneyland zal wijden, lijkt mij overigens niet erg groot. Daarvoor biedt het tekenfilmimperium dat de hedendaagse pretparken exploiteert, te weinig aanknopingspunten voor zijn soort nostalgie. Een nostalgie die zich richt op de eerste, inmiddels achterhaalde verschijningsvormen van de moderne massacultuur, toen de nadruk nog niet in de eerste plaats bij de massa, maar bij de individuele inspiratie van de scheppers leek te liggen.

Dreamland was de schepping van William H. Reynolds, een excentrieke miljonair, die zijn ‘witte stad’ ontwierp, aldus Bernlef, om een ‘droom’ werkelijkheid te maken. Het lunapark was voor hem “heel iets anders” dan alleen maar een lunapark, een conglomeraat van de meest uiteenlopende attracties. Als ‘illusionist’ zag hij in zijn schepping een gerealiseerde utopie, waarin hij zijn “heimwee naar de toekomst” kon botvieren.

Heaven

Naar het moment waarop de toekomst nog voorwerp van heimwee kon zijn, lijkt ook Bernlefs nostalgie uit te gaan. In de ‘intro’ en de ‘ride-out’ van zijn roman (die hiermee de structuur krijgt van een ragtime-nummer) wandelt hij rond op Coney Island, waar van het vroegere Dreamland geen spoor meer valt te bekennen. Op de plaats van het lunapark bevindt zich nu het aquarium van de stad New York. Alleen de verbeelding is onder zulke omstandigheden nog in staat de verbinding met het verleden te herstellen. Denkend aan de mensen die er vroeger hebben geleefd en gewerkt, schrijft Bernlef: “Ik kan hun stemmen horen.”

Uit dit imaginaire gehoor is de roman voortgekomen: een caleidoscoop van stemmen die vertellen over Dreamland. Van Reynolds vernemen we bijvoorbeeld dat hij zijn ‘witte stad’ heeft ontworpen ter herinnering aan een ‘jonge vrouw’ op wie hij in het Hotel des Bains te VenetiĂ« verliefd is geworden en die hij vervolgens, als het ware in het voetspoor van Thomas Manns Gustaf von Aschenbach, door de straten en kanalen is gevolgd zonder haar ooit te hebben aangesproken. In Dreamland zal zij, als een geschilderde gedaante aan het venster, worden gereproduceerd, miniem onderdeel van de namaakversie van het Canal Grande.

Tot de andere stemmen die aan het woord komen behoren de zakelijk directeur van Dreamland, de fotograaf die de ansichtkaarten van het lunapark vervaardigt, een van de lilliputters die er voor het publiek te kijk worden gesteld, de waarzegster Lucia, de dierentemmer kapitein Bonavita, het hoertje Lois, de barpianist Arthur de Booy, de bluesspelende neger Bad Sam en vele anderen.

Wat zij te vertellen hebben mondt nauwelijks uit in een verhaal. Bernlef beperkt zich tot het oproepen van een kleurrijke, voorbije sfeer, die grote verwantschap vertoont met die van het circus, de kermis, het variĂ©tĂ©. Een smalle verhaallijn valt hoogstens aan te wijzen in de veranderende houding van Reynolds. Wanneer zijn Dreamland ten slotte in vlammen opgaat, brengt hij de nacht door met een prostituee, zonder zijn brandende schepping te hulp te snellen. De onbereikbare geliefde uit VenetiĂ« heeft blijkbaar afgedaan en de volgende ochtend beseft hij “opgelucht” dat voor hem de droom voorbij is.

Met hetzelfde besef blijft de lezer achter na De witte stad te hebben gelezen. Niet erg diep onder de indruk, maar wel op een vluchtige manier gecharmeerd. Voor grotere emoties schiet Bernlefs als altijd weinig opwindende stijl tekort, terwijl de opzet van de roman uiteindelijk niet veel meer doet dan de fotograaf gelijk geven door wie Dreamland “een gigantisch decor” wordt genoemd. Onwillekeurig relativeert deze uitspraak de nostalgie van schrijver en lezer, ook als het niet zo bedoeld mocht zijn, want wat is het lot van een decor anders dan om, zodra de ‘droom’ van het toneelstuk is vervlogen, plaats te maken voor een volgend decor?

Eerder verschenen in De Volkskrant en op Arnold Heumakers