Vrijdag, 15 mei, 2020

Geschreven door: García Márquez, Gabriel
Artikel door: Reinewald, Chris

De zee van mijn verloren verhalen

Hilarisch verhaal, maar niets aan verzonnen

Het journalistieke proza van Gabriel Garcia Márquez

[Bespreking] Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez vermengde waarheid en verdichting in zijn, in dubbele betekenis, fantastische oeuvre. Dat maakt des te nieuwsgieriger naar waar hij de grens tussen waargebeurd en fictie trok. Hoe observeerde, registreerde hij en wanneer interpreteerde en fabuleerde hij?

Voor ons Nederlanders is er dat redelijk goed na te trekken, hilarische verhaal, dat hij beleefde tijdens een hete zomeravond in de Amsterdamse binnenstad.

Volgens zijn Nederlandse uitgeverij kwam de Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez in 1982 naar een tropisch Amsterdam om vrienden te bezoeken. Meer weten ze niet. Zelf zal de schrijver zijn stedentrip niet licht vergeten. Garcia Márquez en zijn vrouw Mercedes bezochten de stad samen met een bevriend echtpaar Gloria en Alvaro Castaño, tv-presentatrice en wetenschapper. Een paar maanden later ontving Garcia Márquez de lang verwachte Nobelprijs voor letterkunde en kwam een einde aan een onrustige periode. Tussen maart 1981 en augustus 1982 leefde hij namelijk als vrijwillige balling in Mexico-Stad en Parijs na bedreigingen van de Colombiaanse regering. Die beschuldigde hem ervan contrarevolutionairen financieel te ondersteunen.

Archeologie Magazine

García Márquez schreef een column over het Amsterdams bezoek, geheel naar waarheid: “Ik heb namelijk geen cent verbeelding.” Het gezelschap arriveert op een uitzonderlijk hete vrijdag.

Poppenbedjes

“Iedereen was gek geworden,” noteert García Márquez. Toeristen doezelen op terrassen in de namiddagse hitte en applaudisseren wanneer een Scandinavisch ‘walkure’ naakt de gracht in duikt. Door de straten trekken predikers, acrobaten, muzikanten en straatrovers.

“Er hing een krankzinnige sfeer, een geur van verrot fruit en dode vogels die mijn heimwee naar het Caribisch gebied naar boven haalde.”

“Wat me aantrekt in Amsterdam is dat het zo op Curaçao lijkt en op die middag was er geen verschil.” Als jongetje nam zijn grootvader hem mee op “onvergetelijke reisjes” naar Aruba en Curaçao.  Zoals menige toerist bezoekt García Márquez in Amsterdam ook de wallen om te kijken of daar ook landgenoten werkzaam zijn. Maar op die warme middag zitten de dames alleen in hun ‘poppenhuisjes’ en blijven hun ‘poppenbedjes’ leeg.

Bij de Stopera in aanbouw vinden krakersrellen plaats. Garciá Márquez ziet de relschoppers aan voor studenten en verbaast zich hoe ze “tegen alles, behalve tegen de hitte” de straat opgingen en het aftreden van de koningin eisten.

Ontbijt voor elf

Eenmaal in zijn hotel zijn de computers door de hitte inmiddels op tilt geslagen. Liften stijgen en dalen zonder ergens te stoppen. Nadat hij zelf zijn koffers naar de vijfde etage heeft gezeuld, treft de schrijver in zijn kamer een stel aan dat in het bed ligt te “stoeien”.

“Ik protesteerde bij de receptie, niet omdat het paar van hetzelfde geslacht was – welk geslacht is mij overigens nooit duidelijk geworden – maar omdat ze míj een kamer hadden gegeven waar de liefde al werd bedreven.”

Zwetend voorziet de receptionist meer rampspoed. Inderdaad. De ponskaartjes die de kamerdeuren activeren gedragen zich grillig. Het beveiligingssysteem van de enig vrije kamer blokkeert. Het schrijversechtpaar krijgt daarom een ongebruikte slaapkamer van een suite. Onkundig van de gewisselde kamers sjokken hun vrienden, het echtpaar Castaño, rond zeven uur ’s avonds tevergeefs de hotelgangen door, in een poging samen met ze te gaan eten. Dat zal niet lukken.

’s Nachts terug op de suite van de schrijver en zijn vrouw schakelt de tv op de kamer zichzelf in. Marlène Dietrich verschijnt als een paranormaal wezen in de kamer. Ze laat zich niet het zwijgen opleggen. Pas na haar concert floept de tv weer even plotseling uit.

In de vroege ochtend springen alle lichten aan en klinkt honingzoete achtergrondmuziek van Richard Clayderman op orkaansterkte, vermengd met jakkerende brommers en andere straatgeluiden. “Het eindeloze gedender van een mooie vredige stad, die plotseling zijn ware helse aard laat zien.”

Zonder kloppen rijdt dan om 8 uur een stoet kelners het “bestelde ontbijt voor elf personen” de kamer binnen. Wat later verzucht de gealarmeerde receptionist: “‘Ik hoop van harte dat u hier niet over gaat schrijven.’ – Ik zweer dat het tot dat moment niet bij mij was opgekomen. ‘Natuurlijk niet.’ zei ik, ‘dat ontbrak er nog maar aan.'”

In een andere vorm, eerder gepubliceerd in Het Parool