Donderdag, 16 april, 2020

Geschreven door: Slotboom, Anton
Artikel door: Quis leget haec?

De zin van het leven ben jezelf

Het compromisloze bestaan van Jules Deelder

[Recensie] De zin van het leven ben je zelf, is het eerbetoon dat journalist Anton Slotboom schreef over dichter Jules Deelder. Het boek was bedoeld als kroon op zijn vijfenzeventigste levensjaar, wat uitgebreid gevierd werd op 24 november 2019 in De Doelen in Rotterdam, in aanwezigheid van Jules Deelder. Hij overleed kort erna, op 19 december. Slotboom haalde het manuscript terug bij de uitgever en herschreef het. Het is geen biografie, de schrijver werkte er zelf niet aan mee. Die biografie gaat nog geschreven worden door Deelder’s dochter Ari.

Een eerbetoon dus, waarin Slotboom de levensloop van Deelder reconstrueert aan de hand van interviews, fragmenten, zijn werk en gesprekken met vrienden en collega’s. Die gesprekken zijn door het boek heen opgenomen in aparte hoofdstukken met als titel ‘Denkend aan Deelder‘. Ook staan er fragmenten van gedichten in die in openbare ruimten zijn terug te vinden met als titel ‘Sporen van Deelder‘.

Jules Deelder groeit op in een niet onbemiddeld gezin in de Rotterdamse wijk Overschie. De Tweede Wereldoorlog maakt hij niet mee, maar speelt wel een grote rol in het gezin dat is terug te vinden in zijn werk. Deelder is een slimme jongen (negens en tienen op de HBS) die al vroeg wist dat hij dichter wilde worden.

Hij werkt in verschillende baantjes, zowel in de haven als bij de bank, maar laat zich inspireren door Jack Kerouac en hij zoekt het vrije bestaan op. Dichten hoort daar bij en in 1962 krijgt hij voor het eerst een gedicht gepubliceerd.

C2W

Zijn debuut op het podium vindt plaats in Amsterdam of all places, bij Poëzie in Carré, georganiseerd door Simon Vinkenoog. Hoewel Deelder van jazz houdt probeert hij ook wat in de popmuziek, zelfs met enig succes, maar uiteindelijk keert hij terug naar de jazz om er te blijven. Een andere liefde is het voetbal en wel de club Sparta. Hij is een graag geziene gast op Het Kasteel; de seizoenskaart die hij jaarlijks toegestuurd kreeg toont hij niet eens.

Zijn roem stijgt en hij gaat meer en meer optreden. Soms voor weinig toeschouwers, soms voor volle zalen. Legendarisch is zijn optreden voor een groep punkers, die niets van hem moesten hebben. Volledig onder gespuugd blijft hij stoïcijns zijn werk voordragen. Het zal kenmerkend voor hem zijn, hij zal altijd vol overtuiging optreden, of er nu tien man of tienduizend man staan. In die zin is zijn laatste optreden ontluisterend, met zijn jazz-band, op een verwaaid winkelcentrum voor een handvol mensen.

Deelder blijft dichten en wordt ongekend populair. Zijn boeken verkopen goed en hij is niet vies van commercie want reclames doet hij ook. Wel altijd op zijn eigen voorwaarden. Hij gaat ook toneelbewerkingen schrijven, waagt zich aan een (niet erg goed ontvangen) roman en maakt zelfs kunstwerken.

Qua persoonlijkheid is hij lastig te vangen. Hij is volgens eigen zeggen zelden chagrijnig of down en zijn dochter onderschrijft dat. De interviews met vrienden en collega’s geven wel mooie inkijkjes in de mens Deelder. Schrijver en journalist Hugo Borst gaf aan dat Deelder soms met rust gelaten wilde worden;

“Als hij wilde praten zocht hij het zélf wel op. Hij stond in een gesloten modus. Er brandde geen groen lampje. Integendeel, er brandde veel vaker een rood lampje: ‘opname, niet storen.’…Maar soms kwam hij naar mij toe en zaten we opeens weer heel lang te praten”.

Het drugs- en alcoholgebruik komt uiteraard aan bod. Deelder is verslaafd aan amfetamine en dient zichzelf het middel toe met een injectiespuit. Het zorgt wel voor een aantal opmerkelijke verhalen, zoals wanneer hij het spul zelfs Colombia binnensmokkelt (‘Ik ben de eerste ooit die drugs mee Colombia ín heeft gesmokkeld‘). Zo vertelt dichter Bart Chabot ook over zijn ontmoeting met Jules Deelder. Herman Brood stelde Deelder aan hem voor;

Hij zei slechts: “Dit is Bart, dit is Jules, jullie redden je zeker wel.’ En toen begon Jules aan een verhaal dat zéker drie uur duurde. Ik had wel vaker speedfreaks meegemaakt, dus ik snapte wel wat er aan het gebeuren was. Maar het bizarre was dat Jules in die catacomben niet één keer in herhaling viel. Het verhaal was helemaal consistent! Hij bleek ook nog eens een  messcherpe blik op de samenleving te hebben…Na drie uur wist ik: deze gozer is een fenomeen, een volkomen fenomeen.”

Die blik op de samenleving verwerkt Deelder in zijn gedichten, maar ook in bijvoorbeeld zijn toespraak die hij hield toen hij een dag ‘gewoon’ burgemeester was, naast burgemeester Aboutaleb. Zijn boodschap was een motie “Wat Maakt ’t Uit Joh”. Een geinige titel maar met een serieuze boodschap die ging over onderlinge verdraagzaamheid. Het maakte niet uit waar je vandaan kwam. Hij kende Rotterdamse Marokkanen die een schurfthekel hadden aan Amsterdamse Marokkanen; dát was nou geslaagde integratie.

Tenslotte, zijn onberispelijke uiterlijk. Hij had al vroeg de spijkerbroeken en het lange haar afgezworen; dat deed iedereen al. Altijd in het pak, het haar achterover in de brillantine en de nagels zwart gelakt met handschoenen eroverheen. Het zou zijn handelsmerk worden en hij werd meerdere malen uitgeroepen tot ‘best geklede man’. Deelder zelf;

“Ik kijk altijd in de spiegel voor ik de deur uitga. Als man mag dat schijnbaar niet, daar heb ik schijt aan. Het zijn ook altijd mensen die er zelf bijlopen als een afgehaald opklapbed die je dan ijdel noemen. Als je niet als een puinhoop de straat opgaat, is dat een zegen voor de mensheid. Bespaar je medemens die pijn aan de ogen.”

Kortom, alle facetten van Jules Deelder komen goed aan bod in dit boek van zo’n 350 pagina’s. Het blijft allemaal wel een beetje aan de oppervlakte maar voor een eerbetoon mag dat. Wat wel stoorde was dat een aantal opmerkingen of zinnen dubbel genoemd worden (‘dat had je daar ook al gezegd’, dacht ik dan) maar verder leest het boek prima weg. Ik kijk wel uit naar de biografie, want over Deelder’s partner Annemarie Fok en zijn dochter Ari komen we verder niets te weten.

Eerder verschenen op Quis leget haec?