Donderdag, 20 september, 2007

Geschreven door: Veenstra, Jan
Artikel door: Bauritius, Nicole

De zomer van ‘59

Seks en zo in de jaren vijftig

Als je in deze debuutroman van Jan Veenstra (1951) een goede start zou willen maken, zou je eigenlijk moeten beginnen op pagina 14. Dan begint het boek als volgt:

‘Eigenlijk mocht het Noord geen naam hebben. Wat ongeregelde bebouwing langs een oude vaart tussen Hoogeveen en de sluis bij Noordscheschut. Minder dan vijf kilometer kanaal waarin sinds de vervening van het gebied aan beide zijden achtentwintig dwarswijken uitmonden. Dat was het.’

Dit is waar het boek over gaat: het Noord en haar bewoners. We schrijven 1959 en het is een verzengend hete zomer. Het is een periode die het leven van drie jonge mensen zal bepalen, dat van Hilbrand, Fokke en Riekie. Hilbrand en Fokke zijn lagere schoolvrienden, maar hoofdpersoon Hilbrand vraagt zich af wat hen nog bindt. Ze zijn inmiddels een jaar of zeventien en de Meccano-doos ontgroeid. Fokke op zijn beurt neemt de kameraadschap voor vanzelfsprekend: hij beroept zich op de vriendschap om Hilbrand zaakjes voor hem te laten regelen. Hilbrand ergert zich hieraan, maar doet wat hem gevraagd wordt. Zo vindt hij onbedoeld zijn eerste liefde. Deze liefde wordt zo raak beschreven zonder sentimenteel te worden, dat je als lezer niet anders kan dan meeleven met Hilbrand en zijn meisje.

Het boek geeft een zeer overtuigende sfeerschets van de jaren vijftig: de bekrompenheid, het geklets in de buurt. De ‘toestand’ van Riekie (ze is zwanger, maar heeft geen man) toont het sterkste de normen en waarden van het Noord en de hypocrisie die daarin besloten ligt. Een ‘gevallen meisje’ als Riekie heeft het er zelf naar gemaakt, zo is de heersende opinie. Als het nou nog in de zomer van ’45 was gebeurd en van een Canadees was, dan zouden ze haar stilletjes bewonderd hebben, maar nu is er niets dan afwijzing in de kleine gemeenschap te bespeuren. Hilbrand probeert als enige wél aardig te zijn voor Riekie.

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

Jammer dat het lijkt alsof dit prachtige verhaal niet op zichzelf mocht staan: de link naar de actualiteit moet gelegd worden. Daarom is van het personage Frederik , een politicus gemaakt die dweept met de normen en waarden van de jaren vijftig. Hilbrand bezoekt zijn partijbijeenkomst als journalist op leeftijd. Het eerste en laatste hoofdstuk, die in het heden spelen, doen met de keuze voor een politicus gekunsteld aan. Veenstra lijkt zich in deze hoofdstukken het minst op zijn gemak te voelen. Waar hij in de rest van het boek beeldende omschrijvingen geeft, probeert hij het hier met zinnetjes als: ‘het campagneteam heeft natuurlijk voor een perfecte geluidsinstallatie gezorgd.’ De confrontatie van Hilbrand met Frederik heeft een duidelijke functie in het boek, maar dit had ook anders ingevuld kunnen worden.

Verder is het eerste hoofdstuk te veel doorspekt met vooruitwijzingen. Veel personages worden in het begin van het boek al benoemd, maar te kort om er als lezer dan al iets mee te kunnen, terwijl ze later in het boek uitgebreid beschreven worden. Deze vooruitwijzingen en herinneringen roepen eerder desinteresse op dan nieuwsgierigheid: dit is toch niet het boek van een oude man die zijn saaie verhalen uit het verleden wil opdissen? Gelukkig is dat het zeker niet: afgezien van de twee hoofdstukken in het heden, is De zomer van ’59 een mooi en overtuigend verhaal uit een vervlogen tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *