Zondag, 22 december, 2019

Geschreven door: Mulisch, Harry
Artikel door: Heumakers, Arnold

De zuilen van Hercules

Strijdbare kritiek op de bestaande conventies

[Recensie] Zowel Harry Mulisch als Andreas Burnier hebben ooit een dik boek geschreven waarin zij hun wereldbeeld uiteenzetten. Dat is niet hun enige overeenkomst. Tussen De compositie van de wereld (1980) en De droom der rede (1982) bestaan grote verschillen, maar beide boeken hebben iets essentieels met elkaar gemeen: ze voegen zich geen van beide naar de heersende wetenschapsopvatting. Er ligt een grote afstand, om niet te zeggen een diepe kloof tussen aan de ene kant Mulisch’ “principe van de octaviteit” en Burniers “hogere bewustzijn”, en aan de andere kant het rationalistische, positivistische wereldbeeld dat in de westerse wetenschap nog altijd de toon aangeeft.

Nu geloof ik niet dat dit wereldbeeld zo’n gesloten kolos is als Burnier en – in mindere mate – Mulisch ons willen doen geloven. Maar de zaken waarmee zij komen aanzetten, zullen er inderdaad niet gemakkelijk toegang krijgen. Toch is dat wel waar beiden – zij ’t vooral Burnier – op uit zijn: zij nemen geen genoegen met meditatie op afstand, zij leveren strijdbare kritiek op de bestaande conventies, in de heilige overtuiging dat ons rampen van een nog niet eerder vertoonde omvang boven het hoofd hangen als er niet snel iets verandert.

Hoe hierop te reageren? Ik weet niet hoe Burniers ideeën worden gewaardeerd in haar academische omgeving, maar haar voortijdige vertrek als hoogleraar criminologie wekt niet de indruk dat zij veel instemming is tegengekomen. Bij Mulisch, een buitenstaander in de academie, ligt dat anders: uit enkele lezingen, nu gebundeld in De zuilen van Hercules, kan men opmaken dat sommige universitaire filosofen voor zijn filosofisch magnum opus althans een welwillende belangstelling aan de dag hebben gelegd, zoals trouwens ook al was gebleken uit enkele beschouwingen in de bundel Harmonie als tegenspraak uit 1986.

Minder welwillend waren sommige reacties in de pers. Met name Rudy Kousbroek heeft Mulisch (en hetzelfde geldt voor Burnier) er stevig van langs gegeven. Kousbroek staat, zoals men weet, pal voor wetenschap en vooruitgang, en is er doorgaans als de kippen bij om alles wat op dit punt van zijn eigen opvattingen afwijkt als onzin, wartaal of bijgeloof te kijk te zetten. Zo is het ook hier gegaan. Wie het allemaal nog eens wil nalezen kan terecht bij de deze week verschenen essaybundel Einsteins poppenhuis, waarin naast Mulisch en Burnier ook de hele Heidegger – in niet meer dan zes bladzijden nota bene – aan flarden wordt gescheurd.

C2W

Alle vaak nogal paranoĂŻde voorstellingen die tegenstanders van het rationalisme plegen te ontwerpen (Burnier spreekt bijvoorbeeld van een “Kerk van de rede” waarin iedere dissidente stem wordt verketterd en in de ban gedaan) weet Kousbroek moeiteloos te bevestigen. Mulisch’ Compositie reduceert hij tot “grootheidswaan”: het boek had alleen door de vingers gezien kunnen worden als het door een adolescent was geschreven. Zelfs het “verband met zijn romans” ontbreekt, schrijft Kousbroek, die zo niet laat blijken erg vlijtig te hebben gezocht. Ook heeft hij het over de “wonderlijke groentesoep” die zich “in de schedel van Harry” zou bevinden – hetgeen in elk geval verraadt wat zich in Kousbroeks achterhoofd heeft bevonden tijdens het schrijven van deze kritiek: een denkbeeldige tribune met medestanders op wier gelach en applaus hij onvoorwaardelijk kan rekenen. Tussen Mulisch en Kousbroek is kennelijk alleen een dialogue des sourds mogelijk. Iets anders ligt dat bij Burnier en Kousbroek: wat zij te beweren heeft is in Kousbroeks ogen niet alleen kletsika, het is ook nog gevaarlijke kletsika. Vooral Burniers intolerantie heeft hem gestoken, haar strijd tegen het “Kwaad” die even totalitaire trekken aanneemt als zij dat Kwaad toedicht. Want, schrijft Kousbroek, “Alle grote moordpartijen uit de geschiedenis komen op rekening van ideologieĂ«n die in de een of andere vorm met het Kwaad willen afrekenen.”

Met dat laatste ben ik het hartgrondig eens. Maar iets anders is of Burnier met haar gedachtengoed uit is op een “moordpartij”. Dat lijkt me wat al te paranoïde geredeneerd. Burnier blinkt niet uit door tolerantie jegens haar tegenstanders, maar waarom moet dat met gelijke munt worden betaald? Of voelt Kousbroek zich inderdaad “bedreigd”, zoals Burnier cum suis beweren? Nee toch. Rudy Kousbroek heeft nog nooit een dik boek met daarin zijn wereldvisie hoeven te schrijven; wat hij vindt en denkt, vertoont geen fundamentele verschillen met wat bijna iedereen in onze westerse wereld vindt en denkt, en het ziet er niet naar uit dat Mulisch of Burnier daar op korte termijn verandering in zullen brengen.

Dat schept ruimte voor op z’n minst enige nieuwsgierigheid, waarop een genuanceerde winst- en verliesrekening zou kunnen volgen. Mulisch en Burnier zijn per slot van rekening geen complete idioten. Wanneer Kousbroek doet alsof ze dat wel zijn, schiet zijn kritiek althans bij mij volkomen naast het doel. Het enige wat ik er aan overhoud is een onprettige indruk van gemakzucht en van een geborneerd vertrouwen in de eigen waarheid.

Ik zal niet ontkennen dat Burnier het ook haar welwillende critici soms niet gemakkelijk maakt, met haar hoger weten en haar gedram tegen het “thanatische geweld” van de euthanasie-lobby. Dat zij tegen euthanasie is, is uiteraard haar goed recht; in haar nieuwe essaybundel De achtste scheppingsdag staat bovendien een essay met allerlei redelijke argumenten die haar standpunt respectabel maken. Wat zij echter maar niet kan laten, is de voorstanders van euthanasie stelselmatig verdacht te maken, bij voorkeur door hen met Nazi-Duitsland te associëren.

Dat tussen eugenetica, euthanasie en het Derde Rijk allerlei connecties hebben bestaan, valt moeilijk te ontkennen. Maar die connecties zijn allerminst exclusief, en Burnier weet ook wel dat de huidige voorstanders van euthanasie niet in het geniep naar Hitler terugverlangen. Zie bijvoorbeeld wat zij in het essay Stilte en alchemie schrijft over de door anderen gemaakte associatie tussen mystiek, magie en nazisme: daar is zij opeens de redelijkheid zelve. Terecht uiteraard, maar iets van die redelijkheid was ook in haar houding tegenover de “euthanatici” op zijn plaats geweest.

Ik vind Burnier soms onuitstaanbaar demagogisch, maar dat zij lang niet altijd zo is bewijst een aantal andere essays in De achtste scheppingsdag. Ik doel nu even niet op het titelessay, waarin wederom op de bekende dreunende manier tegen naderend onheil wordt gefulmineerd. Heel acceptabel vind ik daarentegen haar genuanceerde essay over de huidige stand van zaken in het onderwijs, al speelt hierbij ongetwijfeld mee dat ik haar afkeer van de ministeriele bureaucratie en van de zogenaamde onderwijskundigen voor honderd procent kan delen. Er is een essay over Duitsland (nog wel naar aanleiding van een bezoek aan Dachau) dat nu eens niet eindigt met dogmatische antwoorden, maar met een reeks vragen. Suggestieve vragen, waarop Burnier blijkens haar andere werk de antwoorden allang kent, maar niettemin: de mokerslag van het eigen gelijk blijft achterwege.

Ook de essays over Dante’s Divina commedia en Goethe’s Faust bevallen me wel. Door de drie delen van Dante’s dichtwerk te laten corresponderen met de drie “ontwikkelingsstadia van de ziel” verschaft Burnier mij, zij ’t dan indirect, eindelijk enig zicht op het “hogere” bewustzijn dat haar cultuurkritiek schraagt. Hetzelfde geldt voor de min of meer autobiografische teksten die de bundel besluiten. Erg veel onthullen ze niet, daarvoor is Burnier misschien al te ver gevorderd op het spirituele pad, maar er wordt tenminste een poging gedaan de lezer uit te leggen wat haar bezielt.

Alleen bij Kousbroek zal, vrees ik, ook deze methode niet het gewenste resultaat hebben. Dat bewijst zijn totale onbegrip (om niet te zeggen onwil om ook maar iets te begrijpen) jegens het filosofische werk van Harry Mulisch, die toch veel minder dan Andreas Burnier is betrokken bij een kruistocht tegen het Kwaad. Het enige wat daar bij Mulisch op lijkt, is het gefoeter tegen de kernwapens dat van tijd tot tijd opklinkt.

De nadruk ligt echter volledig op het ontvouwen van de eigen rijke ideeĂ«nwereld – een literaire bezigheid, als we tenminste bereid zijn de grenzen tussen literatuur en filosofie niet al te rigoureus te trekken. Dat Mulisch daartoe bereid is, mag men afleiden uit het voorwoord bij De compositie van de wereld, waar hij zijn filosofie zelf als “kunst” typeert, en wie beter oplet dan Kousbroek zal zien dat Mulisch’ filosofische thema’s op alle mogelijke manieren zijn verbonden met zijn literaire werk. Dat maakt Mulisch’ oeuvre ook zo fascinerend: het is een groot kunstmatig lichaam waarvan geen enkel onderdeel de oorsprong verloochent. Wat hij in Het Ene (naast andere verwante lezingen en essays herdrukt in De zuilen van Hercules) over de wereld schrijft, gaat volledig op voor zijn eigen schrijven.

Zo loont het alleszins de moeite lezingen als Het Ene en Het licht te herlezen in connectie met Mulisch’ laatste roman De elementen. Het “licht” dat daar, voorzien van een Heideggeriaans kruis, op de laatste bladzijden verschijnt, heeft ongetwijfeld veel te maken met het “licht” en het “Ene” waarvan in de lezingen sprake is; het wordt er alleen op een andere manier en in een andere context benaderd – als individuele ervaring, als flits van inzicht, echo (zo kan men uit de lezingen concluderen) van de flits waaruit alles ooit moet zijn ontstaan.

Of dit allemaal echt zo is, is een andere zaak. Het is zo binnen de denkwereld van Harry Mulisch en voor zover die belang heeft, hebben ook deze gedachten belang. Dat is overigens niet precies zoals Mulisch er zelf over denkt. In een korte lezing (Waar is de ware filosofie?) houdt hij een gehoor van beroepsfilosofen met betrekking tot zijn Compositie van de wereld voor: “Het is of echte filosofie, of idiotenfilosofie. Voor minder doe ik niet. De tijd zal uitwijzen wat het is.”

Daar kunnen we het voorlopig bij laten. Maar ook de literatuur krijgt van Mulisch bijzondere pretenties mee; het gaat hem om meer dan schoonheid of amusement. In zijn – eveneens in De zuilen van Hercules opgenomen – Grondslagen van de mythologie van het schrijverschap pleit hij voor een “atheĂŻstische remythologisering” en in een ander essay (Het Boek) krijgt de literatuur de taak toebedeeld om te behouden wat er door “de wegval van de godsdienst in de technische wereld” verloren dreigt te gaan. Volgens een oud romantisch recept moet het boek in de lezer iets teweeg brengen dat hem verandert: de jij-vorm in De elementen en de verlangde identificatie van de lezer met een “Phoenix” die uit zijn as verrijst, hebben dus niets willekeurigs, zoals men ziet.

In hoeverre Mulisch serieus gelooft in de effectiviteit van zo’n literaire verandering, weet ik niet. In elk geval is zijn aanpak beduidend aantrekkelijker dan het machteloze gejeremieer waartoe Burnier te vaak haar toevlucht neemt. Mij lukt het niet niet in de ban te komen van zijn ongebreideld associatievermogen, dat een imaginair labyrint heeft voortgebracht waarin hij dankzij een unieke combinatie van vernuft en fantasie feilloos de weg blijkt te weten. Als lezer volg ik hem ademloos terwijl hij zonder blikken of blozen het wereldraadsel oplost – pas wanneer ik het boek weg leg, realiseer ik mij dat er misschien een paar vragen zijn overgeslagen. Maar aan de literaire bewondering doet dat niets af.

Het is mogelijk dat Mulisch hiermee geen genoegen zal nemen. Aan de andere kant bekent hij in De zuilen van Hercules (Contra barbaros): “Ik schrijf mijn boeken omdat ze er zijn moeten, zoals sperwers er moeten zijn, of paardebloemen: als een teken van zichzelf. Wat anderen ermee aanvangen, dat laat mij eigenlijk onverschillig.” Een wijs standpunt. Dat het na wat ik hierboven over zijn literaire pretenties heb vermeld wel een beetje oogt als een tegenstrijdigheid of als een paradox, lijkt me geen bezwaar. Want, zoals de lezers van De compositie van de wereld weten, als Mulisch in zijn wereldbeeld ergens ruimte voor heeft geschapen, dan is het wel daarvoor.

Eerder verschenen in de Volkskrant en op Arnold Heumakers