Vrijdag, 17 november, 2017

Geschreven door: Andersen, Hans Christian
Artikel door: Reinewald, Chris

Die fünffache Seereise

Andersen anders

De Deense sprookjesschrijver Hans Christian Andersen (1805-1875) beheerste ook andere vertelvormen. In de bundel Die fünffache Seereise, Mit Hans Christian Andersen in Schleswig und Holstein, wisselen beleefde briefjes aan broodheren, gedichten, beschouwingen, notities en uiteraard ook enkele sprookjes elkaar af. Achtergrond vormen de vermoeiende (zee)reizen die Andersen maakte door de afwisselend Deense en (nu weer) Duitse provincie Sleeswijk Holstein. 

[Recensie] Cultureel bezien geldt de eerste helft van de 19e eeuw als de ‘Deense Gouden Eeuw’, waarna het politiek onrustig werd. Koning Frederik VII maakte Denemarken in 1849 tot een constitutionele monarchie. In dat jaar kwam de Duitse bevolkingsgroep in Sleeswijk Holstein in opstand. Zij wilden niet dat hun Deens-Duitstalige woongebied, eerder meerdere hertogdommen, Deens grondgebied werd. In 1864 verloor Denemarken een oorlog tegen Oostenrijk en Pruisen, die namens de Duitse Bond de ‘onderdrukte’ Duitse Sleeswijk Holsteiners verdedigden. Vervolgens moest Denemarken dit deel afstaan aan Oostenrijk en Pruisen. In 1920 werd het grotendeels Deenstalige noord-Sleeswijk na een volksraadpleging van de Weimar Republiek Duitsland weer Deens. Na 1949 is het andermaal Duits.

Op weg naar zijn gastheren in kastelen stuitte Andersen op Duits, Deens, Nedersaksisch, Noord-Fries (Friisk), de Deense variant Zuid-Juts (Sønderjysk) en een Flensburgse mengtaal Petuh. Het gaat wat ver om Sleeswijk Holstein met het opstandige Catalonië van nu te vergelijken, maar te begrijpen is wel hoe verstrekkend culturele en historische verschillen kunnen zijn.

Andersens dagboekaantekeningen over het varen van Flensburg naar Oland gaan vooraf aan een daarop gebaseerd sprookjesachtig reisverhaal, verteld door een ‘onbevooroordeeld’ meisje, Elisabeth. Zij begrijpt niets van de verschillende talen en stugge gewoontes. Op zeker moment wordt Elisabeth door haar volwassen metgezellen vergeten. Zij moeten bijtijds een veerboot halen en kunnen niet blijven om haar te zoeken. Bizar. Een voerman pikt haar op waardoor ze later toch weer haar reisgezelschap terugvindt. Onderweg maakt ze kennis met het gewone leven. Tussendoor speelt een ander verhaal. Het gezelschap bestaat namelijk uit een predikant die na de onverwachte dood van zijn jonge vrouw, met zijn zuster (Elisabeths moeder) terugkeert naar zijn parochie. Zijn verbeten verdriet is tranenloos, vanwege een rotsvast Godsvertrouwen, zoals in Bergman-films.

Schrijven Magazine

Andersen schreef ook – als lied uitgevoerde – gedichten. Het huldedicht Danmark, mit Fædreland klinkt als een volkslied [Danmark er jeg født, der har jeg hjemme,der har jeg rod, derfra min verden gÃ¥r. Du danske sprog, du er min moders stemme, sÃ¥ sødt velsignet du mit hjerte nÃ¥r. Du danske friske strand/ Denemarken, mijn vaderland. In Denemarken geboren en thuis, mijn wortels, het begin van mijn wereld. U Deense taal, u bent mijn moeders stem, zo zoet gezegend mijn kinderhart. U, fris Deens strand] Overigens heeft Denemarken nu een civiel én een militair volkslied.

Maar zo blind-nationalistisch wilde Andersen ook niet zijn. In een allegorie kibbelen Noorse en Deense lompen over de schoonheid van hun moederland. Het oergebergte van de Noren tegen de Deense wijdsheid. Maar misschien – zo fabuleert de verteller – worden de lompen wel het briefpapier waarop een Noor zijn liefde aan een Deense verklaart. Denemarken was Andersens ‘Heimath’ maar in Duitsland woonden zoveel mensen die hij liefhad. De tweestrijd en de oorlogen verscheurden zijn hart. In een krijgsverhaal over drie wapenbroeders tijdens de Sleeswijkse oorlog van 1849-51 toont Andersen zich op zijn grimmigst: de allesvernietigende doodsmachine, gelardeerd met de nodige sentimentaliteit.

Andersen was een echte 19e eeuwer. Trouw aan traditie maar ook eigentijds. Hij reisde met de trein. En een prozaïsche krantenfoto inspireerde hem voor het hier ook gepubliceerde Meisje met de zwavelstokjes, met De kleine zeemeermin zijn beroemdste sprookje. Verinnerlijking en versterving – zoals het op straat in de kou bevriezende luciferverkoopstertje – gaan vaak samen met een diep doorvoeld religieus besef. Maar met Schlammkönigs Tochter, het langste verhaal, overspeelt Andersen zijn hand. In dit nogal moeilijke ontwarbare verhaal combineert hij een Oudtestamentisch motief (het Mozes-verhaal) met een dierensprookje (ooievaars die tussen het noorden en Egypte vliegen) en een historische sage (letterlijk zeer bloeddorstige Vikingen). Er wordt een Christelijke missionaris doodgestoken die evenwel herrijst en dan – met meer daadkracht dan tijdens zijn leven – het Evangelie brengt. Ook het zielige, ziekelijke, bekeerde prinsesje ontbreekt niet. Het fijnzinnig evenwicht tussen milde humor, kinderlijke spanning en ouderwetsige sentimentaliteit bereikt Andersen toch alleen in zijn sprookjes.

De bundel besluit met een gedicht en joviaal interview met de zelfverklaarde, hedendaagse sprookjesverteller Günther Grass (1927-2015) en Pools-Duitser van geboorte. Zijn klassiek aandoende tekeningen verbeelden Andersens wereld heel mooi. Meest sympathiek is echter dat deze mooi uitgegeven en nogal onderprijsde, bundel werd gefinancierd door de kunststichting van de HSH Nordbank, om zo taal en cultuur van de Sleeswijk Holstein te stimuleren.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles