Zaterdag, 1 augustus, 2009

Geschreven door: Heijden, A.F.Th. van der
Artikel door: Hopman, Bob

Doodverf

De doorgedreven kunstuiting die moord is

In zijn romancyclus De tandeloze tijd verwerkte Van der Heijden (1951) een verhaal over een zogenaamde ‘gipsmoord’. Die plot heeft hij voor zijn nieuwste roman Doodverf uit de oorspronkelijke cyclus gelicht, verlengd en van diepte voorzien. Dat Van der Heijden een echte oeuvreschrijver was wisten we al en het hergebruik van eigen thema’s past daarin. Het dwingt ook tot opletten: als een schrijver het de moeite waard vindt aan een vorm van kunst en bijbehorende moord een hele roman te wijden, wil hij daar waarschijnlijk een poeticale boodschap mee uitdragen.

Poetica, dat is in de woorden van emeritus Prof. Guus Sötemann (Universiteit Utrecht) ‘opvattingen over het ontstaan, het wezen, het doel en de middelen van de poëzie’, waaraan ik best ‘of van welke kunstvorm dan ook’ durf toe te voegen. Van der Heijden heeft het hier in Doodverf precies over, over het wezen van de ware kunst, maar ook over de ethiek ervan: heeft een scheppend kunstenaar een grens waar hij niet voorbij kan of mag om zijn doel te bereiken?

Het motief wordt behandeld aan de hand van de personages Albert, Flix en Thjum, wier voorletters, zoals Arie Storm in Het Parool terecht opmerkt samen ‘A.F.Th’ vormen, een teken dat er toch wel sprake is van een persoonlijk document, een verhaal waarin met het autobiografisch gehalte wordt gespeeld. Eerstgenoemde, Albert, is een koerier in illegale adoptiekinderen, in dienst van de louche, in Thailand werkzame Gesù Porporà. Flix is een kunstenaar, een homoseksuele wildebras die zijn lusten in de kunst, de dood en in Thjum zoekt. Thjum, de acteur, werkt voorzichtig mee en laat zich niet alleen door Flix overheersen, ook biedt hij zich aan als proefpersoon voor Flix’ wonderbaarlijke kunstproject, met als doel de mens in gips te wikkelen, hem zijn sterven te laten naspelen en dan op het moment suprême het gips te laten stollen, open te knippen, en er een afgietsel van te maken.

Het grote voorbeeld van de ultieme kunst is voor Flix het ‘doodsmuseum’ van Pompeii. Daar liggen afgietsels van echte gestorvenen, dat wil hij benaderen: een kunstwerk waaruit de hand van de kunstenaar volledig is verdwenen. Een unieke, flexibele en dan snel stollende gipssoort wil hij hiervoor ontwikkelen.

Wordt Vervolgd

‘“Je kunt het de medische industrie nauwelijks kwalijk nemen dat ze geen gipsverband ontwerpen dat rekening houdt met spartelende ledematen… In een been met een dubbele fractuur zit meestal weinig beweging meer.”
“Precies. Ik streef naar de afdruk van het been op het moment van breken.”
“Een verband dat de val aanmoedigt…”
“Je begint er iets van te begrijpen.”
“Maar, Flix, je bent toch niet afhankelijk van wat er in de winkel ligt. Waarom ontwikkel je zelf niet een beter gipsverband?”’

Zo wordt vroeg in het boek duidelijk wat het werkplan van Flix is. De exacte reden van zijn bijzondere kunstproject blijft aanvankelijk enigszins onduidelijk, ‘een afdruk van het been op het moment van breken’, maar juist dit geeft het boek voor de literaire lezer een bijzondere spanning. Wat wil de kunstenaar Flix exact? Hoe sterk is de schrijver vertegenwoordigd in zijn kunstenaarspersonage? Hoe ver laat de verteller, overigens in meervoudig ik-perspectief, zijn kunstenaar gaan?

Op het gebied van deze laatste vraag kan ik gerust een stukje verklappen: alle pijlen wijzen immers al snel één kant op. De lezerskennis van de ‘gipsmoord’, een schreeuw van Flix naar zijn poseur: ‘“Sterf dan toch, klier! […] Dat is toch geen doodgaan, zo! Hij doet de vallende ziekte na, meer niet…”’ en het voortdurende spel met het woord ‘vallen’, want een echte kunstenaar vált. Faustus viel, Leverkühn viel, Dichtertje wilde vallen, en Flix is hetzelfde lot beschoren, hij zal de ware stervende vangen in gips, en daarmee als faut pas een moord begaan en zijn vriend en model met zich de afgrond in meenemen.

Vanwege die moord, én vanwege de mensenhandel en kindermisbruik uit naam van Gesù, ontstond overigens een nogal zinloze en niet van veel literaire visie getuigende discussie op internet en in de kritieken in onder andere Het Parool en Vrij Nederland. Men discussieerde of hier sprake is van een literaire thriller, een ‘Gouden Strop-kanshebber’. Goed, de moord, de titel en de, laten we eerlijk zijn, het Nicci French-achtig aandoende omslag, lijken daarop te wijzen. Maar ‘misdaad’ is geen hoofdmotief, geen doel op zich, deze genre-technische vraag is irrelevant. Zinniger lijkt het mij af te vragen wat de misdaad aan dit literaire werk toevoegt. Er vallen doden, jazeker, maar een fatsoenlijke literair auteur verwerkt in zijn boeken geen verhaallijnen zonder een duidelijke bedoeling. Is Flix’ moord niet een klassiek voorbeeld van doorgedreven kunstuiting? De subplot van Gesù’s mensenhandel vind ik moeilijker te plaatsen, maar is daarom niet minder boeiend. Zijn de opengeknipte en met heroïne gevulde kinderlijkjes die Gesù naar Nederland stuurt misschien het wereldse parallel van het ware kunstwerk, het eigentijdse pompeiilijk?

Nee, van Gouden Strop-spanning is geen sprake. Het zijn poeticale vragen als deze die de spanning oproepen. Van der Heijden neemt ten slotte zelf de pen op, en noemt de schaar een ‘symbool van vernietiging, en, tegelijkertijd, van herschepping’. Als Flix, die zelf ter wereld is ‘geknipt’ met een keizersnede – zo zie je maar weer, geen enkel gegeven in dit boek is betekenisloos -, zijn ultieme gipsmodel bouwt, het laat neerstorten en openknipt, is het of de auteur op zoek naar het ultiem kunstwerk in fictie zelf de moord begaat. Waar de grens tussen poetica, fictie, schrijver en personage liggen, en hoezeer de schaar als symbool, of de tegenstelling tussen kunstzinnig en werelds sterven voortdurend terugkeert, dát zijn de echt relevante vragen, en hierin ligt de onalledaagse, en prachtige spanning van de roman.