Vrijdag, 27 januari, 2017

Geschreven door: Ham, Laurens
Artikel door: Moenandar, Sjoerd-Jeroen

Door Prometheus geboeid

De auteur boetseert zichzelf

[Essay] W.F. Hermans is wel eens lafheid verweten omdat hij een beroep deed op de autonome status van literatuur toen hij zich moest verdedigen tegen de beschuldiging dat hij katholieken beledigde met zijn roman Ik heb altijd gelijk! Het is ook een vreemde verdediging, omdat de roman in kwestie moeilijk gezien kan worden als enkel autonoom esthetisch spel, in plaats van als een politiek geladen, kritische reflectie over de naoorlogse Nederlandse maatschappij. Met zo’n verdediging wordt eigenlijk de kritische kracht van literatuur uitgehold: door literaire autonomie tot dogma te verheffen verdwijnt de maatschappelijke relevantie van literatuur, aldus Thomas Vaessens in zijn oratie uit 2006.

Het is in dit opzicht echter belangrijk om een onderscheid te maken tussen artistieke en kritische autonomie. Volgens kunstsocioloog Rudi Laermans is er sprake van artistieke autonomie wanneer de kunstenaar zich niet laat leiden door economische, politieke of ideologische belangen. Er zijn echter genoeg kunstenaars voor wie dergelijke artistieke autonomie niet uitsluit dat kunst zich kan wagen aan kritische reflectie. Sterker nog, het eerste faciliteert het tweede: “They take up the institutionally secured autonomy of art as an independent societal sphere, as a possibility to question, or even to intervene in, cultural or social issues that they find problematic.” (Laermans 2012:138-139) Literaire autonomie kán de kritische kracht van literatuur dus juist versterken.

Daarbij onderscheidt Laermans drie ‘niveaus’ (mijn term) van autonomie. Ten eerste is dat de autonomie van het kunstwerk zelf: de mate, aldus Laermans, waarin het kunstwerk gericht is op en beoordeeld wil worden vanuit “a primarily artistic interest”. Daarnaast is er de autonomie van de kunstenaar: de mate waarin deze vrij is van politieke, economische en ideologische gebondenheid. Tenslotte is er individuele autonomie: de mate waarin een burger in de moderne tijd als een autonoom individu functioneert. In theorie staan deze drie autonomieën los van elkaar. In de praktijk zullen de relaties tussen de autonomie van het literaire werk, die van de kunstenaar en die van de burger zich echter ingewikkelder tot elkaar verhouden. Zo kan de houding van de kunstenaar, zowel binnen als buiten de kunstwereld, getuigen van wat Liesbeth Korthals Altes in haar recent verschenen Ethos and Narrative Interpretation. The Negotiation of Value in Literature (2014: 110) een ‘pervasive aestheticization’ noemt, waarbij het artistieke – zoals ambiguiteit en een overdreven aandacht voor esthetische kwaliteit – ook bepaalt hoe kunstenaar en burger zich als autonoom presenteren.

In Door Prometheus geboeid. De autonomie en autoriteit van de moderne Nederlandse auteur bespreekt Laurens Ham vijf casussen die ieder meer of minder getuigen van zo’n allesdoordringende esthetisering van artistieke en persoonlijke autonomie: Jean Baptiste Didier Wibmer (1792-1836), Multatuli (1820-1887), Lodewijk van Deyssel (1864-1952), Carry van Bruggen (1881-1932), en Willem Frederik Hermans (1921-1995). In zijn analyse van deze casussen koppelt Ham hun autonomie als auteur aan de autoriteit die ze als burger al dan niet hebben. Dat blijkt een interessante combinatie. Aan de ene kant kan autonomie heel goed een onderbouwing van autoriteit zijn: iemand die zich als onafhankelijk presenteert, maakt goede kans gezien te worden als iemand wiens mening ongebonden en dus geloofwaardig is – en dus met autoriteit kan spreken. Tegelijkertijd zorgt die ongebondenheid er ook voor dat het autonome individu geen toegang heeft tot wat Ham in de heldere inleiding van zijn studie aanwijst als een van de belangrijkste legitimeringsgronden voor autoriteit: macht. Wie autonoom is kan zich niet engageren aan de macht en heeft dus weinig middelen om autoriteit te claimen.

Archeologie Magazine

Pierre Bourdieu

Ham concentreert zich vooral op de wijze waarop de auteurs zelf hun autoriteit onderbouwen, in wat hij een ‘postureanalyse’ noemt. Daarmee plaatst hij zijn werk in de context van een groeiend aantal studies binnen de neerlandistiek dat zich laat inspireren door het werk van Jérôme Meizoz, die de notie van posture van Pierre Bourdieu een aantal jaren terug met succes herintroduceerde en uitbreidde. Posture, aldus Meizoz, zijn de verschillende discursieve en non-discursieve uitingen die bedoeld zijn om duidelijk te maken met wat voor soort auteur we te maken hebben. (Meizoz 2010: 83-86) Onderzoek naar posture maakt vaak deel uit van institutionele benaderingen, met als doel inzicht te krijgen in hoe een literair veld op een bepaald moment functioneert. Dat laatste doet Ham niet. Autonomie en posturering zijn voor hem in de eerste plaats discoursen.

Als het begrip posture echter niet langer deel uitmaakt van een veldanalyse en in de eerste plaats als een discours gezien wordt, dan ontstaat de vraag waarin het verschilt van de notie van self-fashioning van New Historicist Stephen Greenblatt: het bewust discursief vormgeven van de manier waarop een identiteit beleefd en uitgedrukt wordt. Mensen, zegt Greenblatt, maken zichzelf – of beter gezegd, hun zelf – door zich uit te drukken. De invloed van de Franse filosoof Michel Foucault is duidelijk in Greenblatts begrip. Volgens Foucault wordt zowel onze identiteit als de wijze waarop we die identiteit tot uitdrukking brengen voor anderen diepgaand beinvloed door het discours: de taal die tot onze beschikking staat, met al zijn mogelijkheden en beperkingen. Iemand die zichzelf omschrijft als bijvoorbeeld homoseksueel, kan dat doen omdat in onze taal en cultuur die term en het concept waar de term naar verwijst voorhanden zijn. Zou dat niet het geval zijn, dan zouden zowel de identiteit ‘homoseksueel’ als de mogelijkheid om uitdrukking te geven aan die identiteit simpelweg niet bestaan.

Het lijkt erop dat Ham het begrip discours in de eerste plaats in Foucaultiaanse zin hanteert, zodat wat hij met posture bedoelt, een constructie is van zowel een identiteit als een publiek imago, terwijl posture normaliter alleen op het laatste slaat – en Greenblatts self-fashioning juist nadrukkelijk beide omvat. Sterker nog: Hams analyse zou hier en daar zelfs scherper worden als hij voor de term van Greenblatt gekozen zou hebben. Zo worstelt hij bijvoorbeeld met de vraag of de bizarre levensadministratie die Karel Alberdingk Thijm bijhield (‘schema’s, planningen en dagboeken die zijn toekomst en al zijn handelingen zouden kunnen structureren’) te zien is als postuurvorming. Dat is maar zeer de vraag: postuurvorming is immers in de eerste plaats een poging om te beinvloeden hoe lezers de auteur en zijn of haar werk zien, en om aandacht en autoriteit voor auteur en werk te genereren. De levensadministratie is echter wel een schoolvoorbeeld van self-fashioning in de zin van het vormgeven van de eigen identiteit en in die zin goed te analyseren in samenhang met Thijms publieke self-fashioning onder verschillende pseudoniemen, zoals Lodewijk van Deyssel. Ham merkt het zelf op in zijn conclusie: de auteur ‘maakt zichzelf’ middels publieke en meer intieme teksten zoals brieven en dagboeken. En dat proces van zichzelf maken is niet direct een kwestie van posture, dat daar eerder onderdeel van uitmaakt en er een context aan geeft. Dat proces lijkt echter wel het centrale thema van Hams boek, eerder dan het meer publieke posture: hij legt het bloot met zijn uitgebreide aandacht voor minder bekende, niet gepubliceerde en anoniem geschreven teksten van deze auteurs en hun spel met pseudoniemen.

Wanneer we Door Prometheus geboeid lezen als een analyse van self-fashioning – als analyse, dus, een tweeledig proces waarin zowel identiteit als publiek imago gevormd worden – levert het boek vijf fascinerende en meeslepend beschreven case studies op van auteurs die zichzelf boetseren. Het interessantst is het eerste hoofdstuk. Hierin introduceert Ham Jean Baptiste Didier Wibmer, een picareske schrijver van satires die regelmatig opgepakt werd en uiteindelijk veroordeeld is voor belediging van de koning. Het is vooral zo interessant omdat hier een vergeten episode uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis ontsloten wordt. Wanneer Ham opmerkt dat Wibmer deel uitmaakt van een hele generatie van beroepsschrijvers waar nauwelijks onderzoek naar is gedaan maar die wel een belangrijke rol hebben gespeeld in de politieke verwikkelingen van de jaren 1840, is het bijna te betreuren dat Door Prometheus geboeid niet vijf analyses van dergelijke auteurs bevat: studies naar de andere vier auteurs zijn er immers al ten overvloede.

Daarmee zou echter een belangrijke verdienste van Hams onderzoek verloren zijn gegaan, namelijk het alternatieve verhaal over autonomie dat hier gepresenteerd wordt. In zijn inleiding bekritiseert Ham de gangbare opvatting dat de literatuur zich door de tijd heen lineair ontwikkeld heeft van niet-autonoom naar autonoom. Door autonomie niet als fenomeen maar als retorische constructie te benaderen, laat hij zien dat dat lineaire verhaal niet klopt: autonomie is niet iets dat door de jaren heen verworven is, maar een retoriek die bepaalde auteurs op bepaalde momenten goed van pas gekomen is. Naast het eerste hoofdstuk is vooral het vierde hoofdstuk, over Carry van Bruggen, erg geslaagd, juist omdat het dit alternatieve autonomiseringsnarratief verheldert: Van Bruggen past niet in het gangbare autonomiseringsverhaal, waarin tijdens de jaren twintig van de vorige eeuw een volledige autonomie bereikt was. Ham toont hoe in de wijze waarop Van Bruggen autoriteit en autonomie claimt – of juist nadrukkelijk niet claimt – te zien is hoe beide veeleer discursieve constructies dan feiten waren. Dat dat gebeurt vanuit de uitzonderingspositie van vrouwelijke schrijver en intellectueel in de jaren twintig draagt daar wellicht aan bij.

In zijn case studies betrekt Ham niet alleen teksten van de auteurs over zichzelf, literatuur, en maatschappij, maar ook de literaire teksten die zij schreven. Daarmee gaat hij in tegen de teneur in de neerlandistiek om de literatuur zelf buiten beschouwing te laten in dit soort studies naar autonomie en autoriteit. Dat is ook een onhoudbare positie, juist omdat er tussen de al dan niet als autonoom gepresenteerde literaire tekst en de literaire en maatschappelijke positionering van de auteur vaak allerlei interessante en complexe dwarsverbanden bestaan. Binnen die dwarsverbanden is het meestal de specifieke literariteit van de literaire tekst die claims op autonomie en autoriteit faciliteren en compliceren. Literair werk moet binnen dit soort onderzoek dan ook als literatuur geanalyseerd worden: een specifiek discours, te onderscheiden van andere discoursen, dat met een specifieke methode te analyseren is.

Max Havelaar

Dat laatste – een specifieke methode – ontbreekt overigens in Hams analyse van literaire teksten. Hij verwerpt de narratologie, omdat hij zich in zijn studie vooral zegt te willen richten op de retorische strategieën van de auteurs in hun streven naar autoriteit en autonomie, maar daarmee negeert hij de retorische narratologie van bijvoorbeeld Peter Rabinowitz en James Phelan. Juist dergelijke benaderingen kunnen zeer vruchtbaar gecombineerd worden met meer institutioneel gericht onderzoek naar hoe auteurs zich een posture aanmeten dat tegelijkertijd functioneert als auteurs-ethos en een aanwijzing van hoe hun werk gelezen kan of moet worden (zoals bijvoorbeeld Liesbeth Korthals Altes laat zien in haar hierboven genoemde boek, dat door Ham zelf onlangs voor Vooys gerecenseerd is). Dat is een gemiste kans: een stevigere inbedding van de tekstanalyse in een narratologisch methodologisch kader had de analyses van Ham wat meer ‘body’ kunnen geven. Zo benoemt hij bijvoorbeeld de hiërarchie tussen de schrijversfiguren in het werk van Multatuli, en concludeert dat de problematische relatie tussen auteur, vertellers, personages en representaties van de auteur in de Max Havelaar een verkenning is van hoe autoriteit – of gebrek aan autoriteit – functioneert. Dat is een prikkelende conclusie, maar aan de hand van een narratologische verkenning van intra- en extradiëgetische vertellers in dit werk had deze dynamiek ook geanalyseerd in plaats van alleen maar benoemd kunnen worden. Ook elders is dat het geval, bijvoorbeeld wanneer Ham zonder problematisering de ‘posturering’ van personages (kunnen personages een posture hebben?) en pseudoniemen met elkaar vergelijkt, of literaire werken al te psychologiserend interpreteert.

Dat neemt niet weg dat Door Prometheus geboeid een rijke en uitdagende studie is naar het denken over autonomie en autoriteit in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Juist door zich zelfbewust te verhouden tot enkele lopende discussies over deze kwestie en de wijze waarop er onderzoek naar gedaan kan worden, vormt het boek een welkome bijdrage aan de huidige letterkundige praktijk binnen de neerlandistiek.

Eerder verschenen in Vooys

Literatuur

Korthals Altes, L. Ethos and Narrative Interpretation. The Negotiation of Value in Literature, Lincoln 2014.

Laermans, R. Artistic Autonomy as Value and Practic’. In: P. Gielen en P. de Bruyne, Being an Artistin Post-Fordist Times, Rotterdam 2012: 127-139.

Meizoz, J. Modern Posterities of Posture. Jean-Jacques Rousseau. In: G.J. Dorleijn, R. Grüttemeier en L. Korthals Altes, Authorship Revisited. Conceptions of Authorship Around 1900 and 2000, Leuven 2010: 81-94.