Maandag, 16 april, 2007

Geschreven door: Heijden, A.F.Th. van der
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Drijfzand koloniseren

Een platte Antigone

Movo was een onbekende. Hij doodde zijn vader en werd leider. Hij trouwde zijn moeder en verwekte drie kinderen bij haar. Toen hij
erachter kwam dat zij familie waren, stak hij zich de schuldige ogen uit en vertrok.
Maar de vloek bleef bestaan. Wilmer en Rimmer, de zoons en beoogde opvolgers, konden het leiderschap van de hooliganclub niet delen en gingen de strijd met elkaar aan. Wilmer viel Rotterdam binnen, maar deze veldslag verloor hij. Wilmer werd door zijn broer gedood.

Zo begint Drijfzand koloniseren, het ‘tussendeel’ en de sleutelroman van de Homo Duplex-reeks van A.F.Th. van der Heijden (na De Movo Tapes en voor Het schervengericht). Het is een getrouwe bewerking van Sofokles’ Antigone, dat over dezelfde familie gaat als Oedipous koning en Oedipous in Kolonos. Delen uit die tragedies kleuren ook dit boek, met als duidelijkste voorbeeld de hilarische lijst Dramatis personae en het eerste, stemmige hoofdstuk waarin Movo (Van der Heijdens Oedipous) verdwijnt.

Tegen het uitdrukkelijke verbod van de machthebber-ad-interim Hero (Kreon bij Sofokles) in, zorgt Jolente (Antigone) voor een fatsoenlijke begrafenis voor ‘staatsvijand’ Wilmer. Hero laat zijn macht gelden en veroordeelt haar tot eenzame opsluiting tot de dood erop volgt. Berouw komt te laat en straf tijdig: Hero’s zoon – Jolente’s verloofde – en echtgenote plegen zelfmoord.

Het is een hervertelling, in het Rotterdam van 2023, en dat heeft zo z’n consequenties: de stadstaten van toen zijn nu hooliganclubs, en de dialogen tussen de hoofdpersonen hebben weinig meer van de statische ethische discussies van Sofokles’ versie:

Trouw

‘“Je moet haar nageven, Hero,” zei Uilke [oudste stamgast], “dat de dame tot op ’t laatst ferme taal durft uit te slaan.”
“Ze heeft haar zegje mooi voor elkaar, als je dat bedoelt. Als ze haar nou niet snel naar Havens-West brengen, staat zo meteen iedereen hier te grienen.”
“Uilke, als ze zo’n toon aanslaan,” zei Jolente, “weet ik dat het gedaan is met me.”
“Reken maar,” zei Hero. “Er is geen terug meer.”
“Nou, dat was het dan,” zei Jolente. “Dag, vogels. Dag, bloemen. Dag, kinderen…”’

De tragedie zit hem in Drijfzand koloniseren niet in de dialogen, of in de locatie – een Rotterdamse kroeg, waar de drinkebroers met hun triviale anekdotes de functie van het Griekse koor sterk benaderen –, maar in de handeling. Daarin slaagt Van der Heijden uiteindelijk wonderwel. Het verbale machtsvertoon van Hero en de principiële redevoeringen van Jolente zijn plat en barok maar als Jolente eenmaal is weggevoerd, en een ziener Hero voorspelt dat zijn besluiten van deze dag niets dan slechts brengen, komt er actie in het spel. Gruwelijke actie, dat wel: zelfmoord door autoruitglasscherven, moord op een vermeende vader, seks met een vermeende moeder, zelfmoord, zelfmoord.

Van der Heijden heeft het ‘verheven’ genre tragedie aangepakt en de ‘grootsheid’ van de personages geminimaliseerd. Zijn helden zijn kleine mensen die niet naar elkaar luisteren, iets wat bij Sofokles altijd nog een kwestie van interpretatie was. Pas als de dood een rol gaat spelen, en Van der Heijden stopt met alles uit te spellen, wordt deze menselijkheid interessant: nederig en vermoeid keren de overlevenden naar huis. Daar rest hun slechts de herinnering, daar rest hun slechts het keer op keer te herhalen van de tragedie die ze zelf geschreven hebben.

Het is te hopen dat deze sleutelroman niet representatief is voor de hele Homo Duplex-reeks, want deze parodie op Sofokles doet vooral naar het origineel verlangen.