Vrijdag, 19 juli, 2019

Geschreven door: Voorn, Etchica
Recensie door: Luckhardt, Cees

Dubbelbloed

Dubbelbloed, niks halfbloed!

Dubbelbloed is de eerste roman die heel persoonlijk en zeer herkenbaar de witte onschuld, kleurblindheid en ‘wit’ als superieur en ‘de’ maatstaf beschrijft.

[Recensie] Etchica Voorn voert in haar autobiografische debuutroman de lezers terug naar de jaren zeventig en tachtig waarin zij als tiener en leerling op lagere school tot haar verwondering aangesproken wordt op iets waar zij zelf geen acht op slaat, haar huidskleur. Iedereen wil weten wat zij is, niemand blijkt kleurenblind, bijna iedereen vraagt naar haar achtergrond. Ze willen haar ergens bij in kunnen delen, als half van het een en half van het ander. Ook door haar eigen Surinaamse familie wordt zij met opmerkingen als “de Chinees van de familie” in een hokje geplaatst waarvan zij zichzelf niet bewust is. Op een gegeven moment besluit zij helemaal niet een halfbloed te zijn, maar een dubbelbloed. Hierdoor voelt zij zich rijk met haar afkomst en noemt het haar ‘moksi’ waarvan zij zich lange tijd niet bewust is geweest. De confrontatie met haar gemengde afkomst komt op de meest vreemde momenten en levert allerlei bijzondere situaties op. Ze zijn heel beeldend en mooi beschreven, maar ook zeer confronterend.

In haar zoektocht naar haar dubbel-identiteit spreekt zij regelmatig haar verwondering uit over zowel de Surinaamse als Nederlandse gebruiken rond kroeshaar, het gebruik van blauwsel, (nieuwe) scheldwoorden (als ‘Kunta Kinte’), de verschillen in humor, beauty-tips en de gebruiken rond overlijden en begraven. Tot haar schrik constateert zij dat zij vanwege haar lichte huidskleur (‘mulattenvrouw’), voor een Surinaamse man ‘een goede catch’ blijkt te zijn. Het meest confronterende moment is dat de schrijfster voor de buitenwereld niet bij haar van haar vader gescheiden moeder blijkt te horen. Dit is pijnlijk beschreven wanneer haar moeder, op de Amsterdamse Albert Cuypmarkt, in gesprek raakt met een ‘linke’ Afrikaan die haar wil kopen. De man vindt dat de kleine Etchica beter bij hem past vanwege haar huidskleur waarna zij, in opdracht van haar praatzieke moeder, het op een rennen moet zetten.

De eerste reis naar Suriname en haar ‘creoolse afkomst’ beschrijft zij als een heerlijk thuis komen. Toch blijkt zij ook daar een vreemde te zijn voor haar familie. In het land van haar vader, waar ze nooit eerder is geweest, ontmoet zij tijdens haar reis vijandigheid bij het huis van haar grootouders. Terwijl men in de Surinaamse winti-cultuur juist hecht aan contact met voorouders. Hoogstwaarschijnlijk zien ook deze Surinamers, en bewoners van het grootoudershuis, haar als een ‘bakra’ die niets heeft te zoeken bij het huis dat nu van hun is. Ook op vakanties in Europa (Duitsland en Frankrijk) ondervindt zij afwijzing op grond van haar huidskleur, op zeer schrijnende wijze, bij het vinden van een hotelkamer en de manier waarop zij behandeld wordt in restaurants. Hotels worden sneller geregeld door haar witte vriendin en restaurants blijken niet alleen personeel te hebben met afkeurende vijandige opmerkingen, maar ook volgeboekt terwijl zij constateert dat de eetgelegenheid, op een tafel na, leeg is. Soms kan zij in dergelijke situaties niet direct bevatten wat er ‘werkelijk’ aan de hand is. Uiteindelijk ervaart Etchica dat zij nergens bij hoort en dringt tegelijkertijd bij haar het besef door dat zij het beste van beiden werelden in zich draagt. “Afkomstig zijn uit twee culturen levert ook rijkdom op! Ik voel me aangetrokken tot beide culturen, simpelweg omdat ze beide de mijne zijn.”

Scènes

Maar zij voelt zich ook ontheemd in eigen stad, land en gezin door “al die hokjes waar iedereen mij maar in wil hebben – mi Gado – tot mijn bloedeigen kind aan toe.” “‘Zij is geen bounty’, legt hij aan mij (Etchica, red.) uit, wijzend op een vriendin. ‘Zij is Surinaams. Ook al heeft zij net als jij een Nederlandse moeder en Surinaamse vader’. Haar zoon voegt daar nog aan toe: ‘zwart mamma, ik ben een zwarte man, een blakaman’.” (p.125)

Deze debuutroman bewijst een dienst aan eenieder die op zoek is naar heldere voorbeelden en bewijzen van ‘de witte onschuld’. Hier zijn sterke voorbeelden waar te nemen. Zoals de normen die zij in haar opvoeding van haar moeder mee kreeg. Die leerde haar dat kleur en uiterlijk geen rol speelden, thuis was de norm ‘iedereen is gelijk’. Het brengt Etchica er later toe om te stellen: “Hoe zou het zijn als ik zou zeggen, jouw kleur is voor mij geen probleem? Je bent wit, maar voor mij maakt het niet uit?” Maar zij durft deze vraag niet te stellen aan de witte mensen die beweren kleurenblind te zijn, zo schrijft zij aan het eind van haar roman, “uit angst mijn veilige grond om te woelen met het risico op onherstelbare schade aan mijn wortels”.

Zelden is de zoektocht naar de eigen identiteit van een kind, uit een relatie tussen een Surinaams-creoolse vader en een Nederlands-Drentse moeder, zo openhartig beschreven. Etchica kende een verscheurend verlangen naar haar Drents dialectsprekende grootmoeder en Surinaamse oma die Sranantongo sprak. Die taal kreeg Etchica thuis nooit aangeleerd omdat deze, en niet alleen thuis, betiteld werd als ‘Negerengels’. De emoties die dit alles oproept weet zij zeer beeldend en inlevend te omschrijven.

Eerder verschenen in Antilliaans Dagblad