Vrijdag, 28 september, 2018

Geschreven door: Hosseini, Khaled
Artikel door: Leppers, Ger

Duizend schitterende zonnen

Khaled Hosseini’s literaire muzak

Een half miljoen mensen kochten De vliegeraar. Is Khaled Hosseini dĂşs een geweldige schrijver? Zijn nieuwe roman [2007/red.] wijst daar niet op.

[Recensie] Van het debuut van Khaled Hosseini, De Vliegeraar, ging in april van 2007 het vijfhonderdduizendste exemplaar over de toonbank, meldt De Bezige Bij op de achterflap van de nieuwe roman van deze jonge Afghaanse schrijver, net als zijn voorganger een vuistdikke turf.

De onuitgesproken, achterliggende gedachte bij zo’n mededeling is uiteraard: als zoveel mensen het boek hebben willen lezen, dan moet het wel goed zijn. Een half miljoen mensen kunnen niet allemaal ongelijk hebben. De Vliegeraar heb ik niet gelezen, maar Duizend schitterende zonnen heeft mij niet van de schrijverskwaliteiten van Hosseini weten te overtuigen.

Dit nieuwe boek is een groots opgezet, melodramatisch epos, waarin Hosseini de lotgevallen van twee Afghaanse vrouwen schildert tegen de achtergrond van de onthutsende gebeurtenissen die in de afgelopen veertig jaar het leven in Afghanistan hebben beheerst.

Boekenkrant

De ongeschoolde Mariam, bastaarddochter van een rijke burger uit de stad Herat, wordt na de dood van haar moeder, die in haar eentje haar opvoeding verzorgde, uitgehuwelijkt aan de dertig jaar oudere schoenverkoper Rasheed in Kaboel. Rasheed is een grofgebouwde, naar alcohol en nicotine stinkende, van een haakneus voorziene man die smakt en met zijn tien geboden eet. Al snel dwingt hij Mariam een boerka aan te trekken. Vergeleken met hem is Dracula nog een wonder van innerlijke beschaving. Jaren later huwt deze Rasheed bovendien nog eens met de jonge, door een raketaanval verweesde Laila. Hij hoopt dat die hem, anders dan Mariam, wél een zoon zal kunnen schenken.

Na aanvankelijk wederzijds wantrouwen raken de vrouwen verenigd in hun afkeer van Rasheed, en na een lange reeks van verwikkelingen wordt Rasheed door Mariam gedood wanneer hij zich in een vlaag van woede op Laila wil storten. Mariam laat Laila, en de twee kinderen die deze inmiddels toch heeft gekregen, naar Pakistan vluchten en wordt zelf wegens moord geëxecuteerd.

Trouwhartig worden alle gebeurtenissen door Hosseini opgetekend en, hoe voorspelbaar ze ook zijn, vaak ook nog eens van commentaar voorzien. Voor de lezer blijft er vrijwel niets te raden over. Nergens wordt een beroep gedaan op zijn fantasie, zijn intelligentie of zijn levenservaring. Nimmer stuit de lezer op een verrassende beeldspraak of een onthutsend nieuw inzicht, en er zit bijna vierhonderd bladzijden lang kraak noch smaak aan de stijl van de schrijver, wiens formuleringen soms op het potsierlijke af onbeholpen zijn: “Miriam fronste inwendig haar voorhoofd”, lezen we ergens. En elders kijkt Mariam met een mengeling van verbazing en jaloezie naar de vrouwen in de hoofdstad: “Deze vrouwen waren welk woord had Rasheed er ook alweer voor gebruikt? Modern. Ja, moderne Afghaanse vrouwen, getrouwd met moderne Afghaanse mannen, die het niet erg vonden dat hun vrouw tussen vreemden liep met make-up op haar gezicht en niets op haar hoofd.”

Het is al vele malen gezegd: nobele gevoelens leveren niet noodzakelijkerwijs grote literatuur op. Hosseini, die in Afghanistan voor de UNHCR – de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties – heeft gewerkt, is ongetwijfeld, en natuurlijk volkomen terecht, diep begaan met het lot van de mensen in zijn land, en in het bijzonder dat van de vrouwen. Maar de manier waarop hij aan zijn bewogenheid uitdrukking heeft proberen te geven levert iets op wat misschien nog het best omschreven kan worden als een literair equivalent van muzak: de zachte, stroperige achtergrondmuziek die de bezoekers van supermarkten en winkelcentra in een aangename stemming moet brengen en vooral niet mag afleiden of tot een gedachte aanzetten.

Duizend schitterende zonnen is, kortom, een boek dat geschreven is door een aardige man en denkelijk bestemd is voor aardige mensen. Maar echte grotemensenliteratuur wil het nergens worden.

Eerder verschenen in Trouw