Maandag, 8 oktober, 2007

Geschreven door: Lieske, Tomas
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Dünya

Een luchtschip in bonte kleuren

De mooiste verhalen zijn de ongeloofwaardigste, die door de autoriteit van de verteller toch werkelijkheidswaarde krijgen. Iemand anders sputtert nog met sceptische grijns – ‘als je het in de film zag, zou je het niet geloven’ –, maar het geloof heeft wortel geschoten. Zulke verhalen en vertellers zijn schaars, het vergt talent om het ongerijmde te zien in het schijnbaar geordende en het gerijmde te brengen in schijnbare chaos, maar Tomas Lieske is zo’n verteller, zijn vierde roman Dünya is zo’n verhaal.

De jonge republiek Turkije is niet de grote winnaar van de Eerste Wereldoorlog, maar de onafhankelijkheid is gewonnen, en het is nu, in de jaren dertig van de twintigste eeuw, zaak zichzelf als grote mogendheid te profileren. Expertise wordt gezocht en gevonden om een prestigieus eigen luchtvaartprogramma op te zetten, om een luchtschip te bouwen in de afzondering van het provinciedorpje Y. Onder leiding van de Joods-Duitse ingenieur in ballingschap Grunwald en met al dan niet vrijwillige medewerking van een legertje Turkse ingenieurs en enkele buitenlandse werknemers verrijst daar de nieuwe nationale trots van Turkije.

En dan hebben we het niet over Julia, de prachtige adoptiefdochter van twee van hen, de Nederlandse voormalig krijgsgevangenen Simon Krisztián en Otto Beets, want vooralsnog weet Julia niet beter dan dat ze de dochter is van Simon en de even prachtige en jonggestorven als fictieve Fatima. En dan hebben we het al helemaal niet over Dünya Şuman, die behalve in haar fysiek niets meer heeft van de weelderigheid die ze als echtgenote van een hoge Duitse ambtenaar had, en daarna als feestvierder in hoge kringen. Want wat heeft zij nog aan haar prachtige gejatte westerse kleding, nu ze in dat provinciedorp de Hollanders moet bespioneren als huishoudster?
Nee, dan hebben we het over een luchtschip van ruim honderd meter lang en een hoogte van 25,7 meter – op de achterboeg 32.

Lieske zet zijn personages met liefde en met humor neer. Zo stelt Grunwald zich in een brief aan de ‘Turkish Aviation Society’ voor met een uitwijding dat hij afstand heeft genomen van de Duitse taal sinds Hitler aan de macht is en nu nog slechts Turks spreekt. Dat valt niet mee: alle literatuur die hij las, was Duits, alle meisjes op wie hij verliefd was, spraken Duits. ‘Al dat Duits van mijn dromen, verliefdheden, dierbare herinneringen en gedichten: ik wil het niet meer horen, maar ik mis het zo verschrikkelijk.’ Om vervolgens in te gaan op de maten van het luchtschip.

Boekenkrant

Lieske kent de oorzaak van datgene dat de werkelijkheid onwaarschijnlijk en geloofwaardig maakt: emoties. Voor Simon was zijn tocht naar Groot-Brittannië, zijn aanmelding voor de Britse marine en zijn krijgsgevangenschap in Turkije grotendeels een vlucht, weg van de lege oogkas van zijn zusje, die hij met een Afrikaanse pijl en boog had veroorzaakt. Hij en Otto hebben Julia vervolgens als baby gered (of geroofd?) van Turkse dorpsbewoners die de huizen van Armeense buren in brand staken. Het is een geheim dat als een bom onder de gezinsvrede ligt, en er is weinig voor nodig om het tikken weer te doen beginnen.

‘Ik kwam die avond thuis en liep door naar de eerste verdieping. Otto lag in zijn kamer op de matras. Of ik even ging zitten; hij wilde iets zeggen.
Hij lag met zijn hoofd op een kussen, zijn ene arm steunde het kussen. Hij had zijn knieën opgetrokken. Een vleesgeworden cartoon over het nietsdoen. Er lag een stapel kleren in een hoek, waar ik me bovenop liet ploffen. Hij kon van wal steken, zei ik lollig.
“Ik vind,” begon hij en hij pauzeerde om alle aandacht te vragen. “Ik vind dat we het haar moeten vertellen.”
Een uit het niets tevoorschijn geschoten paniekduivel stak een hooivork in mijn maag.’

De bom wacht op ontsteking, als ook Dünya erachter komt. Tegelijkertijd nadert de datum, 7 mei 1937, waarop Grunwald en de Turkse overheid haar grootse verwachtingen over het luchtschip hopen te zien uitkomen. Het zal ook de dag zijn na de ontploffing van de Hindenburg. Dat zal de afloop van het project nogal bepalen, maar ook voor het van overheidswege samengestelde gezin te Y. blijkt het een belangrijke dag.

Het kenmerkt wellicht Lieskes liefde voor zijn personages dat de afloop treurig, maar niet dramatisch verloopt, dat er – zoals je bij leugens en luchtschepen kunt verwachten – missers en ongelukken plaatsvinden, maar geen doden vallen. Met grote mildheid verbant de auteur zijn personages naar een land ver, ver van hier, waar ze weliswaar niet heel gelukkig, maar toch nog lang zullen leven. Weinig climactisch, maar misschien wel een van de realistischer wendingen in het boek. Tot dat moment had Lieske zijn personages en hun omzwervingen in bonte, warme kleuren geschilderd, zonder voorbehoud, zonder het schijnbaar bizarre te mijden, maar ook zonder het te benadrukken. Het ongerijmde is deel van de werkelijkheid, zegt Lieske, net als in zijn vorige romans, accepteer het. Dat lukt niet altijd, zozeer verbaas je je over de humor of het plotselinge avontuur, maar met een paar alinea’s heeft Lieske je weer teruggetrokken in zíjn versie van de werkelijkheid, een rood-wit-luchtschip met een prachtige half-Nederlandse Turkse ernaast. Ik zou er graag eens een film van willen zien, maar ik ben bang dat ik er niets van zou geloven.