Vrijdag, 29 mei, 2020

Geschreven door: Asscher, Maarten
Artikel door: Brouwers, Nathalie

Een huis in Engeland

Weinig aantrekkelijke reisgids, weemoedige herinneringen

[Recensie] Maarten Asscher (1957) heeft een nieuwe roman uit. Of dat is toch hoe Een huis in Engeland wordt benoemd. Zijn carrière beslaat al zestien boeken in allerlei genres en in 2019 ontving hij de J.H. Donnerprijs voor zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak. Dit boek past zonder dat deze boekverkoper, ex-uitgever en kunstambtenaar het kon weten toen hij dit boek schreef, perfect in de huidige tijden: het toont namelijk aan hoe men op kunstige wijze een beschrijving van slechts één huis breed kan uitsmeren over 238 pagina’s. Als een reisgids als het ware, waarin je kan meereizen door de herinneringen van Asscher die hij heeft aan het huis van zijn grootouders aan vaders kant in Kew, Londen.

Die herinneringen aan het huis op 34, Pensford Avenue en zijn grootouders komen Asscher tegemoet als hij wordt geconfronteerd met zijn slapeloosheid en in zijn bed ligt te woelen en te piekeren. Dit adres springt om de andere pagina op als een soort irritant duiveltje uit een doosje : een herhaling die niet iedereen per se genegen is. In zijn bed liggend en de slaap vermijdend – want dit zou de beste manier zijn om uiteindelijk de slaap te vatten – besteedt hij zijn tijd dan maar aan het proberen op te halen van herinneringen aan de gelukkige zomers die hij als kind doorbracht bij zijn oma Roosje en ‘Oa’, aanspreeknaam voor zijn opa.

Tegelijkertijd graaft hij het verleden op van zijn joodse grootouders, en hoe zij hun leven hebben geleid sinds dat ze de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt en Kamp Westerbork hebben overleefd. Daar komen emoties door aan het licht die meer aanspreken en de betrokkenheid met de lezer kunnen vergroten. Tussen de regels door kan je ook lezen dat Asschers grootouders een getroebleerde relatie hadden met zijn ouders. Maar daarover spreekt de auteur zich niet nadrukkelijk uit, en houdt hij zich als een objectieve waarnemer op de vlakte. Deze tweede verhaallijn over de oorlog beslaat echter nog geen 10% van zijn boek.

“Mijn grootouders waren de twee zijden van de menselijke medaille: hij wist zich te verhouden tot de dingen, zij tot de mensen.”

Geschiedenis Magazine

Voor het merendeel gaat de aandacht in dit boek dus uit naar het huis in Engeland en de heel ‘stiff upper lip’ aandoende zomervakanties, die wel heel liefdevol en weemoedig overkomen, maar ook de langdradigheid uitdrukken zoals de romans De avonden van Gerard Reve of Elias of Het gevecht met de nachtegalen van Maurice Gilliams, weliswaar op minder sublieme wijze. Dit boek van Asscher behandelt daarom meer onroerend dan ontroerend goed. De boekenkast in Oa’s studeerkamer zal menig lezer wel doen likkebaarden:

“Als ik deze studeerkamer door de hoge deuropening betreed, zie ik meteen rechts om de hoek tegen de wand de grootste boekenkast ter wereld, met onderin dichte kasten en zes lagen boekenplanken met deuren ervoor die van geslepen glazen ruiten zijn voorzien . In feite zijn het meerdere boekenkasten naast elkaar, als één geheel gemaakt, alsof het een ondiep houten landhuis is.”

De zinnen van de auteur zijn echter te hakkelig. Veel beeldspraak en metaforen komen er niet aan te pas. En waarom duikt ineens de Nederlandse schrijfwijze Theems i.p.v. het Engelse Thames op terwijl er elders in het boek meer dan voldoende andere Engelse termen en korte zinnen opgenomen zijn?

De allitererende “zenachtige zinnen” die in een handleiding staan van een Japans apparaatje om te helpen inslapen zouden door een snel lezende ironische geest tot “zenuwachtige zinnen” verbouwd kunnen worden. (Echt gebeurd!) Dat Japans apparaatje zou overigens niet echt nodig zijn als je dit boek voor je hebt. Dit boek van Asscher boeit niet voldoende en is ook niet erg interessant op literair vlak, het is in geen enkel opzicht een hoogvlieger.

Eerder verschenen op Hebban