Vrijdag, 22 oktober, 2021

Geschreven door: Rawie, Jean Pierre
Recensie door: Aghina, Bas

Een luchtbel in een vluchtige rivier

Onbevangen luisteren naar het klankspel van een taal

[Recensie] Eén van de aantrekkelijke dingen van poëzie in een vreemde taal is het min of meer onbevangen kunnen luisteren naar het klankspel van een taal. Lees de onderstaande strofen eens hardop en wacht dan na het Italiaanse origineel even op het muzikale effect ervan.

“Ella tutta in me vive, io tutto in lei;
io spiro col suo spirto, ella col mio;
e s’a lei do tre baci, ella a me sei.”

Wat doen deze woorden als klanken met je? Komen er bepaalde associaties? Lees vervolgens de Nederlandse vertaling… … doe zo mee aan het prettig-prikkelende spel tussen het eigene en het vreemde, dat we ook op een buitenlandse vakantie zo vaak spelen en waar we verfrist van thuiskomen:

“Wij leven beiden enkel voor elkaar;
zij vindt volmaakt wat ik volkomen vind;
geef ik drie kussen, krijg ik zes van haar.”

Bazarow


Alleen al voor het genereren van dit soort (voor)leesplezier – in dit geval door de slotstrofe van Gianfrancesco Maia Materdonas “La ninfa sua d’orgoglio amica e d’ira/altri pur chiami e rigida e ribella: (Dat anderen hun nimf van hoogmoedswaan/en hardvochtigheid betichten, mag:)”kunnen wij Jean Pierre Rawie dankbaar zijn dat zijn meertalige bundel Een luchtbel in een vluchtige rivier is uitgegeven door Prometheus ter ere van zijn 70ste verjaardag. Rawie presenteert zo’n dertig Europese gedichten vanaf de Middeleeuwen tot de tweede helft 20ste eeuw als een echte poeta doctus, de geleerde dichter die de klassiekers kent en dit meestal subtiel laat zien. Klassieke, dus vormvaste, rijmende gedichten vertaald uit het Frans, Spaans, Portugees, Italiaans, Roemeens, Duits, Russisch en Engels. Het zijn gedichten die Rawie al sinds zijn eerste eigen poëziebundels vaak ter afsluiting in twee talen heeft opgenomen. In deze bundel is ieder gedicht voorzien van vaak persoonlijke, soms prikkelende, maar steeds onderhoudende en informatieve mini-essays.

Soms werken taal- en leefwereld van bijvoorbeeld Renaissance- of Barokdichters bevreemdend, maar hierdoor ontstaat een mooie spanning op de lijn tussen vorm en inhoud. Ter vergelijking: naar Bach luisteren kan ons emotioneel, intellectueel en spiritueel omvatten en zo leren begrijpen wat het is om een muziekminnende Europeaan te zijn. Zo leren deze gedichten – in brontaal en vertaling – wat het is om deelgenoot te zijn van een Europees gesprek dat al eeuwen gevoerd wordt en waar je bij het omslaan van een bladzijde een deur opendoet naar een nieuwe kamer en kan meeluisteren. En in deze kamers spreken niet de minsten: de Middeleeuwse tegenvoeters Charles d’Orleans, neef van de koning van Frankrijk en Francois Villon, de vagebond; Luis de Camões, dé nationale dichter van Portugal, met praalgraf waar hij niet inligt én ook inspirator voor onze Slauerhoff; Mary Queen of Scots, met haar laatste (?) gedicht voor haar onthoofding; Lope de Vega, Federio Meninni, Jacob Burckhardt, de Russen Alexander Blok, Anna Achmotova, beiden in mentale quarantaine tijdens het communistisch regime; Nobelprijswinnaar Yeats – en ga zo maar door. Het is daarbij licht ironisch dat de meest politiek dominante Europese landen en talen met relatief weinig dichters in deze bundel staan: Engelse en Franse, maar vooral Duitse gedichten zijn duidelijk in de minderheid ten opzichte van Spaanse, Italiaanse, Portugese en Russische gedichten. En het is in het huidige Europa wel eens goed te zien dat veel van ons eigen cultureel dichterlijk erfgoed in met name het zuiden begon.

Voor een dichtbundel gaat het in de toelichtingen meer nog dan in de gedichten zelf trouwens ook regelmatig over de sociaal-competitieve-politieke context waarin deze kunstenaars opereerden. Relatief veel zoals de Russen Blok, Achmotova of de Spaanse hoveling Quevedo waren openlijk of door de verkeerde partij te steunen criticasters van het regime waar zij onder of het hof waar ze aan leefden. Neem bijvoorbeeld Miguel de Unamuno (1864 – 1936) met zijn Me voy de aquí, no quiero más oírme:

“Ik moet hier weg, ik wil mij niet meer horen;
mijn stemgeluid weergalmt in elk geluid,
verzoening blijft wanneer ik zondig uit,
berouw komt geen vertrouweling ter orde.

Ik vind niets menselijks dat mij kon schoren
buiten mijzelf waar ik op niets meer stuit;
als zich tot slot mijn kerker niet ontsluit
ga ik in dit luchtledige verloren.

Je meent dat je de medemens omgeeft
en blijkt je tussen spiegels te bewegen,
in bittere vereenzaming, ontheemd.

Na zoveel sterven van mijzelf vervreemd
kom ik mij slechts in spiegelbeelden tegen,
beseffend dat ik nimmer heb geleefd.”

De Unamo, invloedrijk dichter, existentialistisch filosoof, hoogleraar Grieks en rector ten tijde van de Spaans Burgeroorlog, liep tegen alles en iedereen te hoop. Rawie ligt toe:

“Jullie kunnen winnen, maar niet overtuigen!” voegde hij (De Unamo, red.) vanaf het academisch spreekgestoelte de zaal vol joelende fascisten toe. Na zijn tweede ontslag als rector stierf hij in huisarrest op oudejaarsdag van genoemd jaar. Uit recent onderzoek blijkt dat hij vermoedelijk door een zich als bewonderaar voordoende Franco-aanhanger is vermoord. Daarmee was hij een vroeg slachtoffer van de gruwelijke Spaanse burgeroorlog, waarvan hij de wandaden die beide partijen bedreven had veroordeeld.”

Een ander voorbeeld: “Iemand had berekend dat het sonnet als versvorm op 10 december 2014 achthonderd jaar bestond. Hoe hij dat zo precies wist, heb ik verdrongen, maar de eerste sonnetten die ons bekend zijn, werden inderdaad geschreven aan het hof van keizer Frederik II van Sicilië (…)”

Met zo’n opening blijf je verder lezen tot je een minicollege over de vele voors van het sonnet verder bent aanbeland bij Luceberts bijna iconoclastische parodie op deze klassieke vorm (“ik/mij/ik/mij” enz.). Of in het essay over de ‘luchthartigheid’ van Pieraccio Tedaldi (middeleeuws Florentijns dichter) over het belang van light verse:

“Het is in dit verband belangwekkend erop te wijzen dat in periode van barbarij en vormloosheid in de poëzie het altijd de ‘lichte dichters’ – én de vertalers – zijn geweest die de verstechniek voor volgende generaties hebben gered. Niettemin maken virtuozen op dat gebied als N.E.M. Pareau, Kees Stip, Ivo de Wijs en Driek van Wissen voor de schriftgeleerden geen deel uit van de Nederlands dichtkunst. Het is alsof men Heine niet tot de Duitse literatuur zou rekenen omdat je vaak moet grinniken als je hem leest.”

Het is juist ook in dit soort prikkelende essayistiek, die soms wat aan die van Umberto Eco doet denken in eruditie – iedere dichter lijkt op vele andere te reageren, over grenzen van tijd en taal heen – en stijl dat dit boek een traktatie blijft van een jarige poeta doctus aan zijn lezers en lezeressen.

“Een luchtbel in een vluchtige rivier” is bijna een anthologie van de Europese dichtkunst. En dit ‘bijna’ geeft aan dat dit gesprek nog lang niet voorbij hoeft te zijn met een reisgids én tolk, die als een Vergilius uit Dantes Goddelijke Komedie ons mee kan nemen door de dichtkunst van deze Grande Dame.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles