Vrijdag, 20 augustus, 2010

Geschreven door: Beijnum, Kees van
Artikel door: Hopman, Bob

Een soort familie

Zelfs de held van het verhaal blijkt een rotzak

Aan de noordkant van Wieringen houdt zich aan het einde van de jaren tachtig een groep pacifisten op. Ze zijn van het soort dat zich idealisten noemt, voorvechters van de vrede, maar dat zich wel op een zeer agressieve manier presenteert: wie anders denkt moet worden gemeden, wie twijfelt dient bekeerd te worden. Teun, de jongste zoon van de familie Draaijer, is hoofdpersoon en – door zijn ouders geïndoctrineerd – een zeer enthousiaste vredesdemonstrant. Zijn schoolgenoten pesten hem voortdurend, zijn omgeving minacht hem, en toch roept hij geen medelijden op, maar eerder irritatie. Een vreemd, aantrekkelijk soort irritatie, dat wel.

De Draaijers leven behoorlijk geïsoleerd, op het platteland waar verder iedereen elkaar kent. De vader spant zijn twee zoons – naast Teun is er Hans – voor allerhande karretjes, zoals flyers verspreiden, van deur tot deur handtekeningen verzamelen voor het ontmantelen van kernwapens, of het helpen bouwen aan een boot voor ‘de parade’. De twee worden zogenaamd gestimuleerd in een vrije denkwijze, maar alleen zolang deze in het straatje van de vader en moeder ligt. Het resultaat is een Teun van wie helemaal niets terechtkomt; iets wat ik gemakkelijk kan verklappen, want de roman opent met een scène met Teun als volwassene die, zonder passie, liefde of inzet, huis aan huis kopieermachines verkoopt.

Deze blikken in het volwassen leven, die meer intermezzo’s zijn dan echt onderdeel van het verhaal en sporadisch voorkomen, zijn de enige plek in de roman waar de opvoeding – zij het impliciet – wordt afgekeurd . Het vermoeden wordt in ieder geval gewekt dat de nare jeugd de oorzaak is voor het mislukte leven. De jeugd wordt getypeerd door een belangrijke tweedeling: aan de ene kant staan de Draaijers en de schaarse pascifistische vrienden, aan de andere kant staat de buitenwereld.

Later doet die buitenwereld zijn intrede in het gezin, via Hans. Hij ontmoet een meisje bij het Amstelmeer en komt via haar in contact met vrijere, meer ruimdenkende geesten dan in de commune waar hij is opgevoed. Als de ouders het contact afkeuren en ook Teun zijn broer begint te verachten, omdat het veilige, gestructureerde, maar oh zo laffe wereldje waarin hij leeft wordt bevraagd en begint af te brokkelen, zit er als lezer niets anders op dan te gaan beseffen dat je geliefde protagonist net zo’n ergerlijke rotzak is als de mensen die hem omgeven .

Bazarow

Dat besef komt heel geleidelijk, omdat de roman verteld wordt door een instantie die niet oordeelt. In de oorlogen die worden uitgevochten in de familie en door de familie met de buitenwacht, is het steeds aan de lezer om aan de hand van Teuns waarnemingen kant te kiezen. Een goed voorbeeld hiervan, en overigens een prachtig, tekenend motief in het boek, is het wijkende dakraam op de kamer van Teun en Hans. Hans duwt het met engelengeduld elke avond dicht, terwijl zijn vader aanhoudend belooft het te repareren. Teun is getuige van en deelnemer aan de slag die hierom wordt gevoerd, en ook in dit gevecht is het Hans die als enige de waarheid lijkt in te zien.

‘In de duisternis klinkt de stem van Hans. “Weet je waarom hij dat raam blijft uitstellen? Omdat hij twee linkerhanden heeft. En hij wil niet dat Bruul het doet, want dan voelt hij zich voor ma een nog grotere sukkel dan hij nu al is”
Hij blijft doodstil liggen zonder iets terug te zeggen, om zijn broer te laten voelen hoe hij over die opmerking denkt. maar ook Hans houdt zich verder stil. Hun wederzijdse zwijgen begint al gauw op hem te drukken, maar er eenmaal aan begonnen, kan hij niet terugkrabbelen. Al duurt het een uur, een nacht, een week, hij neemt zich voor geen woord te zeggen tot Hans iets heeft gezegd. Maar ook zijn broer houdt hardnekkig stand, waarschijnlijk als straf voor zíjn zwijgen, zoals hij eerder, ook als straf, de verzoenende aanraking van zijn vader heeft genegeerd.’

Verder dan zwijgen gaat Teun in de gevechten nooit, zelfs niet wanneer de situatie schreeuwt om actie, om geweld, om zelfs maar een debat met de ouders. Ik ben niet de eerste en zeker niet de laatste die de overeenkomst zal herkennen tussen Een soort familie en Jan Siebelinks Knielen op een bed violen, van enkele jaren terug. Beide romans vertellen over onconventionele levenswijzen die met druk worden opgelegd. In beide romans zijn die beschreven met een zekere lethargie, die ook vergelijkbare frustrerende gevoelens opwekken over de onmacht van de personages.

Er is ook een belangrijk verschil: waar Siebelink tot het einde toe het gebrek aan macht over de levens volhoudt, laat Van Beijnum soms – hoewel zijn roman ook niet van de nodige tragische gebeurtenissen verstoken blijft – een glimp van hoop zien, een mogelijkheid het leven zelf ter hand te nemen. Dit maakt Een soort familie tot het lichtgewicht van de twee en het boek laat daardoor uiteindelijk minder sporen achter, een minder machteloos gevoel. Niettemin is het een indrukwekkend boek, dat op zeer effectieve wijze ergernis, woede en irritatie opwekt, door de trieste onmacht van laffe karakters.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *