Dinsdag, 16 november, 2010

Geschreven door: Seleky, Maurice
Artikel door: Winter, Karlijn de

Ego Faber

Elf september, Facebook en vooral veel Ego

Het is 11 september 2001 als Ego Faber en de naamloze ikfiguur uit Maurice Seleky’s debuutroman de eerste woorden met elkaar wisselen. Ze reizen samen in dezelfde trein; het is zo’n dag waarop wildvreemden ineens tegen elkaar beginnen te praten. Ego verkondigt resoluut: ‘Dit zal alles veranderen. Echt!’ En: ‘Ik denk dat deze aanslagen de cesuur zullen vormen in onze moderne geschiedenis.’ De ikfiguur, met zijn achttien jaar een paar zomers jonger dan Ego, luistert met gespitste oren. Hij voelt direct aan dat deze grote woorden zijn leven voorgoed zullen veranderen.

Van Paradiso naar Dansen bij Jansen
Met een weekendtas over zijn schouder, vol kleren en erwtjes in blik die zijn moeder nog in de voorraadkast had staan, komt de ikfiguur op deze dinsdag aan in Amsterdam. Zijn middelbare schooldiploma heeft hij afgelopen zomer gehaald en nu gaat hij ver van het provinciestadje waar hij is opgegroeid aan een nieuw, ongebonden leven beginnen. Seleky zet de jongen neer als een typische adolescent die fysiek wel, maar mentaal nog niet helemaal uitgepuberd is. Hij gelooft echt het in Amsterdam helemaal te gaan maken. Natuurlijk trekt hij zijn neus op voor alle kamers die niet in het centrum liggen, want dat is toch waar het allemaal gebeurt.

Alleen in een stad waar hij niemand kent, zoekt hij de nabijheid van de wereldwijze Ego. Steeds vaker spreken ze met elkaar af: ‘Met iemand die kan putten uit zoveel kwikzilveren charme als vriend, moet het lukken om mezelf opnieuw uit te vinden, hier in de hoofdstad, zonder de schimmen en spoken uit mijn verleden.’ Nog meer dan de ikfiguur zelf, zet Seleky Ego neer als een onmiskenbaar product van zijn tijd: een blaaskaak die alles wil meemaken, altijd op zoek is naar meer en beter. De ikfiguur ziet in hem een lichtend voorbeeld en loopt hem door heel de hoofdstad achterna.

Ego, de ik en hun gezamenlijke vriend Rein hoppen van Paradiso naar Dansen bij Jansen, van het ene knappe meisje naar het volgende knappe meisje, van bed naar bed. Ze roken joints en snuiven lijntjes coke. Die roes van uitgaan, feestjes en seks lijkt geknipt uit Gimmick!, maar dan overgeheveld naar de eenentwintigste eeuw. Het vermoeden dat Ego en het hoofdpersonage al wekten, wordt hiermee versterkt: zou Seleky een portret hebben willen tekenen van de jongeren anno nu? Zoals Gimmick! het icoon geworden is van de generatie die bloeide in de jaren ’80, lijkt Ego Faber dit te willen zijn voor de jaren ’0.

Dans Magazine

Koptelefoon
Een overheersend thema in de roman, is de onverschilligheid jegens oorlog, politiek, armoede, jegens alles wat er in de wereld ‘echt toe doet’, die de huidige generatie toegeschreven wordt. Seleky heeft deze zeer prominent in zijn roman verwerkt. Alle politieke en ideologische sleutelmomenten van het afgelopen decennium passeren de revue: het begint bij 9/11, en via Pim Fortuyn, de invasie in Irak en Theo van Gogh eindigt het bij de ‘missie’ in Afghanistan. De ik neemt net als zijn vrienden overal notie van, maar niets zet hem aan tot een geëngageerde houding of reflectie:

‘Ego zit in bad. Hij heeft zijn ogen dicht en een koptelefoon op met oorschelpen die zo groot zijn dat ze zijn oren volledig bedekken en hem afsluiten van de buitenwereld. De vloer ligt bezaaid met door water beduimelde kranten die vol staan met koppen over de moord op Van Gogh.’

Het is of de hoofdpersonages van Ego Faber het hele boek door met hun koptelefoon op lopen. Ze gaan op in de muziek van hun eigen leven, en dat wat zich buiten hen afspeelt laat ze koud. Hoewel de houding van Ego naar het einde toe wel verandert – hij besluit in het leger te gaan en als soldaat te vertrekken naar Afghanistan -, blijft de ikfiguur de hele tijd door in dezelfde trant doorleven. Een cesuur in de moderne geschiedenis? Ach, als Ego maar weer gauw terugkomt, of als hij dat leuke meisje scoort – hoe heette ze, Emma? – dan vindt hij het al lang best.

De hoofdstukken van Ego Faber heten ‘compositie 1’, ‘compositie 2’, enzovoort. Daar zit ironie in: de ikfiguur denkt dat hij zijn hippe leven in Amsterdam bijzonder oorspronkelijk en origineel is, terwijl de lezer al lang in de gaten heeft dat hij niet meer is dan een product van zijn tijd. Die ironie heeft weliswaar z’n charme, maar een personage dat het aan originaliteit ontbreekt heeft die allerminst: zijn gebrek aan maatschappelijke verantwoordelijkheid, zijn oppervlakkige behoefte aan drugs, meisjes en bevestiging (Facebook!), zijn te herleiden tot ‘kenmerken van de jeugd van tegenwoordig’. Ego Faber leest als een verzameling beschouwingen uit kranten, tijdschriften en opiniesites, gegoten in een romanvorm. De personages hebben niets origineels, en lijken de heersende, inmiddels uitgekauwde ideeën over jongeren anno nu alleen maar te bevestigen.