Woensdag, 10 juni, 2020

Geschreven door: Simonis, Jan
Bemmel, Hans van
Kottman, Jaap
Artikel door: Arts-Honselaar, Hanneke

Elsenburg – de verdwenen buitenplaats

Het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht

“’t Genoeglijk Elsenburg in ’t schaduwrijke geboomte
munt uit door pracht en praal, een parel aan de kroon
der zilveren Vecht, die hier zoet ruisend langs stroomt.”

[Recensie] Wie regelmatig door Nederland toert, is er vast wel eens een tegengekomen, een buitenplaats. In de 17e eeuw verrezen dergelijke buitenplaatsen als toonbeeld van rijkdom en elegantie. En nog steeds valt bij veel buitenplaatsen te genieten van schitterende tuinen. Je treft deze buitenplaatsen aan in heel Nederland, van Groningen tot Zeeland en van Noord-Holland tot Zuid-Limburg. Iedere provincie kent publicaties over de buitenplaatsen op haar grondgebied en steeds meer websites worden aan dit thema gewijd. Met Elsenburg – de verdwenen buitenplaats. Het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht heeft Utrecht er een aantrekkelijke publicatie over ‘haar’ buitenplaatsen bij. Maar Noord-Holland in zekere zin ook.

Het boek lijkt in eerste instantie de geschiedenis van een specifieke buitenplaats in beeld te brengen. De geschiedenis van dit huis blijkt echter tevens de geschiedenis van het ontstaan, de ontwikkeling en de uiteindelijke neergang van het buitenleven van Amsterdammers aan de Vecht te markeren.

De geschiedenis van de buitenplaatsen aan de Vecht begint wanneer Joan Huydecoper (1599-1661) – rijk koopman en burgemeester van Amsterdam – zijn hofstede de Gouden Hoeff in 1628 uitbouwt tot het buitenhuis Goudestein. Hij koopt dan ook de omliggende gronden op en realiseert daarop zo’n veertigtal buitenplaatsen. De eerste van deze buitenplaatsen was Elsenburg, dat in 1637 werd ontworpen door de classicistische architect Philips Vingboons.

Technisch Weekblad

Bij het ontstaan van de buitenplaatsen aan de Vecht spelen economische, sociale en culturele factoren een rol. Zo zocht de rijk geworden handelsklasse, naast investeringen in handel en scheepvaart, naar aanvullende investeringsmogelijkheden. Deze vorm van investeren bood daarbij meer zekerheid dan de gangbare. De manieren waarop de buitenplaatsen tot stand kwamen verschilden. Zo kon er sprake zijn van de geleidelijke uitbouw van een bestaande hofstede tot buitenhuis, aanvankelijk met behoud van de agrarische functie, van directe bouw van een specifiek buitenhuis zonder agrarische functie of van de ombouw van een middeleeuws kasteeltje tot buitenhuis.

Vanuit sociaal oogpunt speelden navolging of statusoverwegingen een rol bij het ontstaan van de buitenplaatsen. Men wilde een buiten bezitten, omdat anderen die men van nabij kende, ook een dergelijk huis bezaten. Amsterdamse kooplieden streefden daarnaast een bepaalde aristocratische status en levenswijze na. Aankoop van grond en daarbij behorend (adellijk) huis was aantrekkelijk, omdat men op deze wijze een titel kon verwerven en er bepaalde rechten aan kon ontlenen. Joan Huydecoper (senior) deed iets dergelijks. Hij had de heerlijkheid van Maarseveen met de daarbij behorende titel kunnen verwerven dankzij zijn politieke invloed in Amsterdam. Door de toevoeging ‘van Maarseveen’ aan de familienaam genoot ook zoon Joan extra aanzien bij zijn stadsgenoten. 

Maar ook ideëel-culturele motieven blijken van belang te zijn geweest. Er bestond behoefte om de stad met zijn stank, herrie, slechte hygiëne en ongezonde lucht te ontvluchten. Door een groeiende idealisering van het plattelandsleven werd het nutsperspectief verdrongen en het platteland als waardevol in en op zichzelf ervaren. In navolging van de klassieke literatuur komt deze veranderde houding dan ook in de literatuur en de schilderkunst van de zeventiende en achttiende eeuw tot uitdrukking. De cultuur van het buitenleven is daarnaast bevorderd door de aanwezigheid van een groep machtige uit Antwerpen gevluchte Vlaamse kooplieden in Amsterdam. In Vlaanderen bestond de traditie van het buiten wonen al vanaf 1500 en de Vlamingen namen deze traditie mee naar hun nieuwe vaderland.

De geschiedenis van Elsenburg I, II en III wordt uitgebreid belicht. Zo wordt aandacht besteed aan de veranderingen in leefstijl, het type buitenhuis, de omvang en de inrichting van de tuinen en de wijze van bewoning. Deze hoofdstukken beschrijven met name de kunsthistorische aspecten – in het bijzonder de architectonische kenmerken van zowel huis, tuin als interieur – van de individuele buitenplaatsen afzonderlijk.

In een derde deel plaatsen de auteurs de geschiedenis van Elsenburg tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in het buitenplaatsleven in Nieuw-Maarsseveen en tegen de sociale en cultuurhistorische achtergrond van de buitenplaatsen als geheel.

Het boek bevat vele afbeeldingen van onder andere oude landkaarten, pentekeningen, prenten, gravures, portretten, fotomateriaal, ontwerptekeningen en plattegronden.

Als niet geoefend lezer van dergelijke studies ben ik aangenaam verrast door de zorg en liefde die uit dit boek spreken voor dit stukje vaderlandse geschiedenis. Niet alleen de opzet van het boek doet aangenaam aan (want helpt de lezer het onderwerp in een breder perspectief te plaatsen), ook de keuze van beeldmateriaal ondersteunt de lezer bij het zich verplaatsen in de keuzes die de bewoners van de buitenplaatsen maakten. De titel Elsenburg – de verdwenen buitenplaats. Het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht lijkt aanvankelijk wat hoog gegrepen voor de omvang van het geboden boek (228 pagina’s). In werkelijkheid doet het boek door de compacte (maar toch goed leesbare) zinnen en het uitvoerige beeldmateriaal zijn titel eer aan. Beide aspecten worden op afgewogen wijze, ter zake kundig én op plezierige wijze behandeld.

Helaas werd, net als de meeste buitenhuizen aan de Vecht, Elsenburg III in 1812, na een poging om het via een veiling te verkopen, afgebroken. Op de gronden van het huidige landgoed Doornburg aan de Vecht in Maarssen staat nog een prachtig hek dat aan de geschiedenis van Elsenburg herinnert.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles