Zondag, 15 september, 2019

Geschreven door: Benhabib, Seyla
Artikel door: Anderberg, Niklas

Exile, Statelessness and Migration

Schaken met de geschiedenis

De onderlinge relatie tussen Hannah Arendt en andere Joodse denkers op de vlucht

[Essay] Hannah Arendt blijft een controversiële denker die vaak hevige weerstand oproept en haar connectie met Heidegger heeft het er niet beter op gemaakt. Tegelijkertijd is haar invloed wellicht groter dan ooit; haar boeken worden regelmatig herdrukt en de secundaire literatuur neemt gestaag toe. Ondanks haar moeilijk toegankelijke stijl – voor sommigen pompeus en gezwollen, voor anderen juist diepzinnig – blijft ze kennelijk een grote aantrekkingskracht uitoefenen.

In haar nieuwe boek Exile, Statelessness, and Migration,  Playing Chess with History, from Hannah Arendt to Isaiah Berlin, behandelt Seyla Benhabib de Joodse denkers die vlak voor de oorlog op de vlucht waren voor het Nazisme. De meesten zijn uiteindelijk in de VS terechtgekomen; Walter Benjamin pleegde voor de overtocht zelfmoord in Spanje en Isaiah Berlin bleef achter in Oxford. Benhabib beschrijft zowel de intellectuele als de persoonlijke ontwikkelingen van deze roemruchte ‘émigrés’. Ondanks onderlinge antipathieën hebben ze hun stempel op het Westerse denken in de twintigste eeuw gedrukt.

Seyla Benhabib is één van de meest vooraanstaande politieke theoretici van deze tijd. Ze is verbonden aan Yale University en heeft veel over Hannah Arendt geschreven. In 2003 is een tweede editie van haar boek The Reluctant Modernism of Hannah Arendt uitgebracht. Dit is een doorwrochte studie die zich een weg baant door de ogenschijnlijk ondoordringbare haag van het gedachtengoed van de Duitse filosofe. Volgens Die Zeit is het niemand beter gelukt om de filosofische rozenstruik Hannah Arendt te ontwarren.

Arendt in Jeruzalem?

Met de beruchte lezing in Nijmegen 2009 van de Amerikaanse historicus Bernard Wasserstein werd de storm weer aangewakkerd. Zijn nietsontziende kritiek op Arendt richtte zich voornamelijk op haar tekortkomingen als historicus. Niet alleen toont Arendt volgens Wasserstein weinig respect voor historische feiten, ze maakt ook gebruik van suspecte (nazi)bronnen. Hierin wordt hij gesecondeerd door Rob Hartmans die haar in zijn bundel Grondsop en verwarring uit 2013 een geschiedvervalser noemt.

Volgens Wasserstein is Arendt hoogdravend en zelfingenomen; alleen haar eigen mening telt en de minachting die ze toont voor de Joodse raden in het bijzonder en voor het Joodse volk in het algemeen is schrijnend. Uiteindelijk was dit de reden van de bittere breuk tussen haar en Gershom Scholem.

Vanuit haar politiek-filosofisch oogpunt, waarin migratie, mensenrechten en de status van immigranten centraal staan, ziet Benhabib desondanks The Origins of Totalitarianism als een briljante ontleding van het totalitarisme in de 20e eeuw (blz. 191). Over de ogenschijnlijk eindeloze nasleep van Eichmann in Jerusalem vraagt ze zich af wie nu eigenlijk voor de rechter staat: Arendt of Eichmann?

Waar het boek Het tijdperk van de tovenaars van Wolfram Eilenberger eindigt, begint het verhaal van Benhabib. Ze bezigt een abstract filosofisch jargon dat geworteld is in de kritische theorie van de Frankfurter Schule. Als ze bijvoorbeeld probeert de meest obscure gedachtegangen van Jacques Rancière te verhelderen, is het niet iedereen gegeven om te ontrafelen waar het om gaat. Zijn schema van het ‘archipolitische’ legt zij uit met de volgende zin: “depoliticizing (of) matters of power and repression and setting them in a sphere of exceptionality that is no longer political, in an anthropological sphere of sacrality situated beyond the reach of political dissensus.” (blz. 117)

Benhabib geeft toe dat anderen hun kritiek op Arendt beter geformuleerd hebben, maar ze ontkomt zelf niet aan een technisch taalgebruik dat voor anderen dan de beroepsfilosoof esoterisch overkomt. Het is inderdaad soms schaken met filosofische kopstukken, vooral uit de vorige eeuw. De nieuwste deelnemers aan het schaakbord worden geïntroduceerd alsof het oude bekenden zijn.

Ahabat Israel

Het is geen geheim dat deze Joodse vluchtelingen elkaar niet lagen; niet op politiek vlak en ook niet persoonlijk. Er ontstond een pijnlijke ruzie over het redigeren van de nalatenschap van Walter Benjamin. Arendt noemde Horkheimer en Adorno een ´Schweinebende´ en het compliment werd stante pede teruggekaatst naar het ´Fischweib´. Deze en andere weinig verheffende uitlatingen waren schering en inslag bij de grote denkers. Over Heidegger concludeerde Adorno dat de vraag naar het Zijn leeg is en slechts dient om het gebrek aan inhoud te verdoezelen (“covers any content whatever”, blz. 37).

Gershom Scholem was al in 1923 vertrokken naar het Engelse protectoraat Palestina waar hij zich concentreerde op zijn onderzoek naar de Kabbala en joodse mystiek. De breuk met Arendt ontstond na de publicatie van Eichmann in Jerusalem in 1963. Scholem vond dat zij geen recht had kritiek op de slachtoffers te uiten en nam haar kwalijk dat ze geen liefde zou voelen voor het Joodse volk (‘Ahabath Israel’). Hoe kon ze de Joden op dezelfde schaal van het kwaad plaatsen als de Nazi’s?

Volgens Benhabib is hier geen sprake van. Zelfkritiek is niet hetzelfde als zelfhaat. Hannah Arendt mag cynisch en hooghartig zijn, ze is geen nationalist. Wellicht komt ze over als een wereldvreemde academicus die vanuit haar ‘Olympian distance’ gemakkelijk praten heeft; toch raakt ze een open zenuw in het bewustzijn van Joden.

Palestijnen

In het conflict tussen de Palestijnen en de Joden pleit Hannah Arendt – in tegenstelling tot Isaiah Berlin (maar net als Tony Judt later) – voor een twee-staten-oplossing. In de vocabulaire van Berlin komt het Palestijnse volk amper voor; hij heeft het liever over de ´Arabieren´. Berlin ziet de Zionistische  staat Israël als een historisch recht voor het Joodse volk. Hij neemt hetzelfde standpunt in als Emmanuel Levinas die zich onsterfelijk heeft gemaakt met zijn betoog over ´de Ander.´ Toen Levinas van een journalist de vraag kreeg of die Ander niet vooral de Palestijn zou moeten zijn, maakt hij een voorbehoud: als de Ander een Palestijn is, wordt hij de vijand. De Palestijnen zijn volgens Levinas geen ´echte´ buren, maar vijanden van het Joodse volk. Het appel en de onschendbaarheid van het gelaat van de Ander zouden absoluut moeten zijn, maar in de politieke realiteit van de staat Israël wordt tóch een uitzondering gemaakt. Het klinkt wellicht oneerbiedig, maar ook Carl Schmitt baseert zijn politieke theorie op het onderscheid vriend/vijand.

Volgens Benhabib schommelt Levinas onheilspellend tussen een onbegrensde verantwoordelijkheid en militant Zionisme (blz. 89). Ze vraagt zich af of het mogelijk is om de filosofische ethiek van Levinas te combineren met de politieke praxis. Dit is een dilemma waar Judith Butler, voor wie hij een lichtend voorbeeld is, ook mee worstelt. Zij onderzoekt de mogelijkheid om haar idee van een radicale politiek te combineren met de conservatieve impuls van Levinas.

Liberalism of Fear vs. Two concepts of Liberty

In Exile, Statelessness, and Migration besteedt Benhabib aandacht aan een tweetal politieke filosofen die bij ons minder bekend zijn. De net als Isaiah Berlin in Riga geboren Judith Shklar (1928-92) heeft altijd in de schaduw van haar beroemde collega gestaan. Hij is een vaste ster aan het firmament van de liberale canon geworden, maar het is niet ondenkbaar dat de ideeën van Shklar net zo belangrijk zullen blijken te zijn.

Berlins nadruk ligt op pluraliteit en het belang van een negatieve vrijheid met zo min mogelijk inmenging van de overheid (zie Two concepts of Liberty, 1958). Voor Shklar ligt het ultieme kwaad in wreedheid en ondanks haar waarschuwingen voor een repressieve staat verdedigt ze een constitutionele democratie als de minst slechte oplossing. In een essay schrijft ze: “The strong state… not only protects, it encourages the freedom of the individual…” (Political Thought and Political Thinkers, blz. 385) Ik denk niet dat een soortgelijke zin in het gehele oeuvre van Isaiah Berlijn te vinden is; hier lijkt ze inderdaad dichter bij Spinoza te staan. Haar ideeën zijn uiteengezet in het beroemde essay The Liberalism of Fear uit 1989.

Net als Arendt is Shklar Europa ontvlucht en ging ze uiteindelijk les geven aan Harvard University. Ook zij levert felle kritiek op Hannah Arendt. Ze echoot de opvatting van Wasserstein dat Arendt weinig respect toont voor historische feiten, dat ze leeft in intellectueel isolement en behept is met een grote mate van arrogantie. Bovendien heeft Arendt zich nooit los kunnen weken van de funeste invloed van Heidegger. Shklar stelt zonder blikken of blozen dat “none of his followers had a clue about what he was saying” en dat dit nog steeds het geval is in de bloeiende Heidegger-industrie. (blz. 235, noot 41; P.T, blz. 385)

Judith Shklar noemt Arendt in niet mis te verstane bewoordingen een hypocriet en een snob. Het gaat Shklar net te ver om haar voor antisemiet uit te maken. Toch sluit ze, anders dan Wasserstein, af met de opmerking dat The Origins een onmisbaar document blijft in de intellectuele geschiedenis van de 20e eeuw. (P.T., blz. 369)

Worldly philosopher

Een andere vluchteling die bij ons relatief weinig bekendheid geniet, is de econoom en sociaal wetenschapper Albert O. Hirschman, geboren 1915 in Berlijn. Zijn levensloop kan gelezen worden als een plattegrond van de twintigste eeuw. Zijn omzwervingen hebben hem gebracht naar Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië en Spanje (waar hij in de burgeroorlog vocht), naar de VS maar ook voor een langer verblijf naar Colombia. Hirschman speelde een grote rol bij het organiseren van de vlucht voor het nazisme vanuit Marseille.

Exit, Voice, and Loyalty uit 1970 is van grote invloed geweest, waar exit binnen de economische sfeer valt en voice in het politieke domein. Exit verwijst niet alleen naar emigratie maar ook naar het verbreken van andere banden, zoals met familie of beroep of zelfs het afstand doen van een bepaald product. Brexit en de verplaatsing van kapitaal – menselijk en anders – is de belichaming van het idee van Hirschman. Voice is de aangewezen optie wanneer een exit niet mogelijk is. Het toegevoegde begrip loyaliteit kan een drijfveer zijn om te blijven en trachten invloed uit te oefenen in plaats van te vluchten. (Benhabib, blz. 146)

Al in de oorlog hadden Hirschman en zijn collega´s een manifest opgesteld dat pleitte voor een verenigd Europa. Na de verwachte val van Nazi-Duitsland voorzagen ze een federaal Europa met één centrale bank, één valuta – en één leger. Alle details zijn niet uitgekomen maar ze hebben ontegenzeglijk hun plan met een vooruitziende blik ontworpen.

Tegen het einde van haar boek reflecteert Benhabib kort over de huidige tijd; over hoe sociale media, fake news en het cultiveren van identiteitspolitiek en sociale fragmentatie kan bevorderen en een dreiging vormt voor een enlarged mentality. Dit kantiaanse begrip staat voor haar, en voor John Rawls, centraal in een levensvatbaar liberalisme. Ondanks de felle, en soms meedogenloze kritiek op Rawls en diens in diskrediet geraakte begrippen als samenwerking en ´redelijkheid´, is zijn analyse volgens Benhabib ongeëvenaard en van blijvend belang.

Vier thema’s

Vier thema´s verbinden de Joodse emigranten: hun identiteit, ‘exile, voice and loyalty’, de vraag naar rechtvaardiging van liberale democratieën en het probleem van waarde-pluralisme. In de opkomende moderne democratieën in het Westen werden politieke rechten steeds meer aan minderheden verleend. De Weimar-republiek erkende Joden als volledige burgers en vrouwen maakten de helft uit van het electoraat. Veel Joden zagen zichzelf dan ook vooral als Duitsers; het anders-zijn opende het spanningsveld tussen identiteit en gelijkheid. De meesten streefden ernaar om met behoud van eigenheid op te gaan in het maatschappelijk geheel. Hun droom van een natuurlijke Heimat zou spoedig een nachtmerrie worden.

In een korte autobiografische schets vertelt Benhabib dat het ´ben´ in haar achternaam hetzelfde is als ´ibn´ in het Arabisch (zoon).  Ze laat uiteindelijk de kleur van haar politieke kaarten zien wanneer ze provocerend stelt dat islam en het islamisme tegenwoordig de voornaamste exponenten van de anderen geworden zijn. (blz. 187)

De hoofdpersonen in dit boek zijn seculiere denkers; Levinas is de grote uitzondering. We hebben gezien hoe zijn naastenliefde schipbreuk dreigde te leiden, ondanks de pogingen van Judith Butler om die te reconstrueren. Het gevoel van ‘galut’, ontworteling en onderdanigheid, is een precair thema voor velen in ballingschap. Arendt spreekt over opkomelingen respectievelijk paria´s; de identiteit van een outsider als eeuwige ´half-other´. Voor sommigen lag de oplossing in het Zionisme en de stichting van de staat Israël, velen hebben hun heil in andere landen gezocht – en soms gevonden. Allemaal probeerden ze het civilisatieproces uit de rokende resten van het totalitaire schandaal te redden.

Het idee van Europa als politieke eenheid tegenover het nationalisme van de 20e eeuw ligt weer onder vuur. Laat ons hopen dat een grondtekening van de anatomie van het nabije verleden een positieve bijdrage kan leveren aan de gezondheidstoestand van de patiënt.

Geraadpleegde literatuur

  • Seyla Benhabib – The Reluctant Modernism of Hannah Arendt – Rowman & Littlefield, 2000
  • Dworkin, Lilla, Silvers (edts.) – The Legacy of Isaiah Berlin – nyrb, 2001
  • Bernard Yack (ed.) – Liberalism without Illusions – University of Chicago, 1996
  • Judith N. Shklar – Political Thought & Political Thinkers – University of Chicago, 1998
  • Jeremy Adelman – Wordly Philosopher – Princeton Univeristy, 2013
  • Albert O. Hirschman – The Passions and the Interests – Princeton Univeristy, 2013 (1977)
  • David Wootton – Power, Pleasure, and Profit – The Belknap Press of Harvard University, 2018

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles