Dinsdag, 10 december, 2019

Geschreven door: Krastev, Ivan
Holmes, Stephen
Artikel door: Dijk, Jos van

Falend licht

Hoe het Westen de Koude Oorlog won maar de vrede verloor

Niet de liberale democratie maar het illiberalisme lijkt dertig jaar na het einde van de Koude Oorlog aan de winnende hand. Wat ging er mis?

[Recensie] Toen in 1989 de Muur viel en het communistische Oostblok definitief uiteen viel was overal de verwachting dat het kapitalisme en de liberale democratie zich nu wereldwijd zouden verspreiden. Het westen, de democratie, het liberalisme en de kapitalistische economie hadden bewezen superieur te zijn. Dit systeem zou nu over de hele wereld worden uitgerold. De Amerikaanse socioloog Fukuyama schreef daarover zijn bekende boek: Het einde van de geschiedenis en de laatste mens.

Fukuyama heeft zijn stellingen later moeten relativeren. Het idee dat met de val van het communisme westerse waarden en praktijken universele geldigheid verwierven is in de loop van de tijd door velen bekritiseerd op grond van politieke en economische ontwikkelingen in de nieuwe eeuw. Ivan Krastev en Stephem Holmes leveren in Falend Licht; Hoe het Westen de Koude Oorlog won maar de vrede verloor een originele en plausibele analyse van deze ontwikkelingen. Ze citeren in hun inleiding uit de biografie van Barack Obama die bij zijn afscheid van het Witte Huis in een reflectief moment twijfels opgeworpen zou hebben over de juiste interpretatie van de periode na de Koude Oorlog. “Wat, als we het bij het verkeerde eind hebben?” vroeg hij zich af. Krastev en Holmes laten in hun boek over de illiberale tendensen van Oost-Europese regeringen, over Poetin’s antwoord op de pogingen van het westen de voormalige Sovjetstaat en zijn satellieten in te palmen, over de populariteit van Trump en – kort ook nog – over het Chinese staatskapitalisme, zien dat Obama’s twijfels terecht waren. En dat na dertig jaar het kapitalisme misschien nog wel leeft, maar dat de liberale democratie in ernstig vaarwater is gekomen.

Het boek van de Bulgaarse filosoof Krastev (1965) en de Amerikaanse rechtsgeleerde Stephen Holmes (1948) is geen historische verhandeling over de oost-west verhoudingen sinds het einde van de Koude Oorlog. Het is meer een cultuurpsychologische en cultuurpolitieke poging tot verklaring van de redenen waarom de geschiedenis zozeer is afgeweken van de dertig jaar geleden nog alom levende verwachtingen. Verwijzingen naar concrete gebeurtenissen worden hoogstens gebruikt als kapstok om het betoog te ondersteunen. Verwacht vooral geen chronologisch verhaal over de achter ons liggende periode. Wie de geschiedenis een beetje kent kan zelf genoeg voorbeelden invullen.

Wandelmagazine

Imitatie

De rode draad in het verhaal van Krastev en Holmes gaat over het imiteren van de westerse cultuur en de westerse economie. Aanvankelijk was het een breed gedragen poging in landen als Polen en Hongarije, na verloop van tijd werd de imitatie juist de voornaamste reden om zich tegen het westen te keren. Die ommekeer werd niet alleen gevoed door het achterblijven van een brede welvaartsontwikkeling, maar ook door het besef dat imitatie

“de morele superioriteit van de geïmiteerden ten opzichte van degenen die hen imiteren (veronderstelt), een politiek model (voorschrijft) dat zich er op beroemt alle levensvatbare alternatieven te hebben uitgeschakeld, dat de imitatie onvoorwaardelijk is in plaats van zich aan te passen aan lokale tradities, en tenslotte de geïmiteerden ook nog het recht geeft de voortgang van de imitatie voortdurend te controleren en te evalueren.” (p.15)

Liever het origineel

Het aanvankelijke enthousiasme in Midden- en Oost-Europa voor de overname van het liberaal-democratische politieke model en de wetten van de vrijhandel en de vrije ondernemingsgewijze productie bekoelde na enkele decennia waarin de sociale ongelijkheid groeide, de corruptie welig tierde en publieke eigendommen op twijfelachtige wijze in handen kwamen van enkelingen. In de voormalige DDR, Polen, Hongarije en andere landen stak rancune de kop op en kwamen conservatieve, autoritaire en illiberale leiders aan de macht. Zij wisten bij de grote massa een snaar te raken door een beroep te doen op nationale tradities. Ondertussen zocht de jeugd een uitweg in het buitenland. De vergelijking tussen de situatie in eigen land en de veel welvarender en zeer toegankelijke westerse landen wees hoogopgeleide jongeren maar in één richting: als het niets meer wordt met de kopie, dan benutten we onze kansen liever in het origineel. Onder de achterblijvende, sterk verouderde bevolking steeg de behoefte afstand te nemen van dat vermaledijde westen. Zeker toen er na het verlies van de eigen jeugd ook nog vreemden op stoep stonden “om de boel over te nemen”. Juist die combinatie van emigratie van broodnodig arbeidspotentieel en de dwang vanuit andere EU-lidstaten tot het toelaten van immigranten uit Afrika en het Midden-Oosten veroorzaakte een ‘demografische paniek’, schrijven Krastev en Holmes, waar autoritaire leiders als Orbán en Kaczynski handig gebruik van wisten te maken.

Culturele verschillen


De hoop op grotere welvaart is nog steeds de basis voor de populariteit van de EU en het westerse economische model in de voormalige sovjet-landen. Maar het culturele liberalisme, het kosmopolitisme en de mensenrechten die ermee gepaard gaan zijn voor een groot deel van de bevolking daarmee nog niet vanzelfsprekend. Overigens ook niet zo vreemd als je je realiseert hoe lang het in westerse landen geduurd heeft voordat de individualistische en humanistische levensbeschouwing in brede kring als maatstaf werd aanvaard. De Universele Rechten van de Mens zijn over de hele wereld formeel aanvaard, maar dat betekent nog niet dat elk land daar dezelfde interpretatie aan geeft. Zie Rusland, en vooral ook China.

Verwaande overwinnaars

In het geval van Rusland was het Poetin die een duidelijke breuk markeerde met het nabootsen van het tot universele norm verheven westerse model. Hij deed dat volgens Krastev en Holmes op de internationale veiligheidsconferentie in München in 2007. In een oorlogszuchtige toespraak hekelde hij de uitbreiding van de NAVO, de ‘wereldwijde destabilisering’ door de Verenigde Staten en de ‘schaamteloze minachting’ voor internationale rechtsregels.

“De plicht van de gehele mensheid om te streven naar liberale democratie was (volgens Poetin) gebaseerd op agressieve westerse ijdelheid (…) In München dwong het Kremlin de verwaande overwinnaars om eindelijk eens te luisteren naar de misschien teleurgestelde, maar wijzer geworden verliezers van de Koude Oorlog.” (p. 106-107)

Poetin maakte Rusland los van het historische relaas dat vanaf de jaren negentig verspreid werd door de overwinnaars uit het westen. Met zijn nationalisme en de heropleving van de heldendomverering veroverde hij de harten van vele gewone Russen. Hij maakte een einde aan de chaos van de ‘Jeltsin-kliek’ en herstelde voor het gevoel van zijn aanhangers een orde waarbinnen een decent leven mogelijk was. Velen namen ‘de vijgebladdemocratie’ (Krastev en Holmes), de corruptie, de onbetrouwbare staat en de diefstal van de voormalige partijbonzen voor lief zo lang ze zelf trots konden zijn op hun land en zijn leiders. Dankzij Poetin was Rusland “niet langer een imitatiedemocratie met een minderwaardigheidscomplex” (p.149).

Volgens Krastev en Holmes “droomt Poetin niet van de verovering van Warschau of de herbezetting van Riga” (p.158). Ze zien in zijn beleid eerder een “agressief isolationisme, een poging om de ruimte voor zijn eigen cultuur te handhaven.” Maar hij is ook niet te beroerd om de westerse agressie en hypocrisie een spiegel voor te houden als wraak voor alle pogingen tot declassering van zijn geliefde vaderland.

Trump

Het is niet zo vreemd dat Poetin en Trump elkaar de hand kunnen schudden. Beide zijn leiders die er allereerst op uit zijn hun eigen land – en daarmee hun eigen positie- te versterken. Trump breekt met de zendingsdrang van al zijn voorgangers om het Amerikaanse model aan de hele wereld op te leggen. En hij maakt daarmee ook in de VS een einde aan de verwachtingen die na de Koude Oorlog zijn gewekt.  Trump’s populisme sluit in die zin aan bij de ontwikkeling van illiberale regimes in Europa. Krastev en Holmes spreken in een poging om hun theorie wereldwijd toepasbaar te maken zelfs van ‘omgekeerde imitatie’.

Het is verleidelijk dieper in te gaan op de analyse die Krastev en Holmes geven van Trumps populariteit. Net als de eraan voorafgaande hoofdstukken over de voormalige oostbloklanden biedt Falend Licht ook over de Amerikaanse politiek tal van verrassend nieuwe, originele inzichten. Het hele boek is een onschatbare bron voor een beter begrip van wat er na 1989 op de wereld gebeurde. Ik durf niet te beweren dat alles wat Krastev en Holmes schrijven van a-z klopt. Ze leveren wel een intelligente analyse van de recente geschiedenis met een visie die in elk geval meer oplevert dan de gangbare oppervlakkige clichés die we in de media dagelijks over Poetin, Trump, Orbán en anderen krijgen voorgeschoteld.

Obama’s terechte twijfels kwamen wat laat. Wij kunnen er van leren: politiek is niet altijd zoals het op het eerste gezicht lijkt.

Eerder verschenen op Sargasso