Zondag, 29 september, 2013

Geschreven door: Timmer, Ernst
Artikel door: Meijgaard, Arjen van

Florijn

Een treffend verhaal over een moderne kluizenaar

‘Ik ben: Joost Beekman, mens. Mijn product heet: begeleiding.’ Zo introduceert Ernst Timmer in zijn derde roman de hoofdpersoon van Florijn. Welke stappen kan een begeleider nemen om iemand letterlijk uit zijn eigen shit te redden en een menswaardig bestaan terug te geven? En wat als de persoon in kwestie niet geholpen wil worden, zich afkeert van de samenleving, zelfs van de hulpverleners om hem heen? Ernst Timmer relativeert en beschrijft met humor de in dit geval dieptreurige situatie van een chagrijnige oude kluizenaar, de heer Florijn. Een allesbehalve opdringerige roman over een allesbehalve opdringerige oude man.

Joost Beekman werkt in de zorgverlening en krijgt de taak om de heer Florijn te begeleiden. Die begeleiding bestaat in eerste instantie uit het elke week langsbrengen van contant geld, zodat de oude man de boodschappen kan betalen. De heer Florijn zit de hele dag aan tafel, hond aan zijn voeten, urinaal met pis naast een overvolle asbak en een glaasje cassis zonder prik op tafel. Hij straalt niet uit dat hij graag geholpen wil worden, integendeel. Mensen die bij hem binnenkomen om schoon te maken of zijn buikwond te verzorgen, stuurt hij steevast weg. Voor ontvangst van het geld hoeft hij alleen een handtekening te zetten, maar zelfs daar heeft hij geen zin in. ‘Ik teken niks. Hond uitlaten,’ krijgt Joost Beekman te horen.

Joost probeert ‘mens’ te zijn door meer te doen dan wat van hem verwacht wordt. Hij laat de hond uit, haalt vis voor meneer Florijn, onderhoudt contact met de thuishulporganisatie en de thuiszorg. Langzaam verandert hij van een klein radertje in het uurwerk rondom meneer Florijn tot hét radertje dat de andere in beweging houdt.

Mens en beest

Timmer beschrijft in korte droge zinnen vanuit Joost Beekmans perspectief het wel en wee van meneer Florijn. Af en toe laat hij iets doorschemeren van het leven van Joost, die naast hulpverlener ook vader en echtgenoot is.

Trouw

‘In het weekend ben ik vrij, dan ben ik even geen mens. In het weekend ben ik een beest. Op zaterdag wordt mijn huis bevolkt door adolescenten die met slaperige hoofden in alle hoeken en gaten sporen van aanwezigheid rondstrooien. Ze lopen langs mij, geven me soms een aai over de bol en schreeuwen me dingen toe.’

Treffend schetst Timmer, naast schrijver zelf werkzaam als ambulant begeleider in de gehandicaptenzorg, het bureaucratische logge instrument dat zorg heet tegenover de behoeftige bejaarde die die zorg nodig heeft. Ook al wil die bejaarde dat zelf niet. Meneer Florijn is een man van weinig woorden, en de dialogen reflecteren dat:

Florijn was het laatste stukje brood aan ’t wegkauwen.
‘Heb je hem ook weer,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ik. ‘De zuster wil me spreken, maar ze is nog bezig.’
‘Ik mot naar huis,’ zei Florijn.
‘Wil je dat niet dan?’
‘Tuurlijk wil ik naar huis! Wat denk jij wel?’
‘Je zei: ik moet naar huis. Je zei niet: ik wil naar huis.’
‘Etter!’

Overdrijven

Literatuur mag overdrijven, en vaak gebeurt dat door de grenzen van het geloofwaardige op te zoeken, maar daarbij moeten situaties toch realistisch voor het voetlicht gebracht worden. Dat lukt Timmer goed. Zo kortaf en negatief als meneer Florijn is – hij stuurt Joost altijd weg met de woorden ‘Ga toch weg man’ en is verre van dankbaar –  zal men ze niet vaak treffen. Ook de erbarmelijke omstandigheden waarin Florijn leeft, hij overleeft op cassis en kanokoeken in een vol gepiste broek met hondenpoep rondom hem op de vloer, lijken aan de extreme kant. En tegelijkertijd is het geloofwaardig, omdat we inmiddels weten hoe het er in de zorg aan toe kan gaan: door bezuinigingen, de strikte schema’s van hulpverleners, de bureaucratische molen en desinteresse van familie hebben hulpbehoevenden het niet altijd makkelijk. Florijn moet na acute opnames in het ziekenhuis, zelfs in een psychiatrische instelling, gewoon weer naar huis, terwijl iedereen weet dat het niet kan.

En daar tussendoor fietst Joost Beekman die betrokken maar met enige zelfbeschermende distantie de zaak beleeft. Hij helpt Florijn waar hij kan, hij luistert niet naar zijn baas die vindt dat Joost alleen geld moet pinnen, hij haalt alle betrokkenen bij elkaar om een oplossing te vinden voor de oude kluizenaar en wordt gezien als de enige die met de man om kan gaan. En daardoor wordt het een ‘niet zo hygiënische maar wel overzichtelijke situatie’.

Soms is de beeldspraak origineel en treffend, om dan in dezelfde zin helaas weer te cliché te worden: ‘In de hal van het ziekenhuis bevrijdde ik me van het regenpak, dat als vers aangebracht behang tegen mijn kleren geplakt zat. Ik schopte het lood uit mijn schoenen en probeerde monter de trap op te lopen.’ Hoe schop je lood uit je schoenen, zelfs al is het overdrachtelijk? Maar gelukkig komt dat zelden voor. De droge humor overheerst en daardoor wordt de schrijnende situatie van meneer Florijn een stuk lichter, soms zelfs komisch. Tussen alle ‘pretentievolle’ en ‘overdonderende’ romans die zo graag een plekje in de boekwinkels bezetten is Florijn een zeer aangenaam boek over een onderwerp dat ons allemaal kan raken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *