Dinsdag, 6 juli, 2021

Geschreven door: Dera, Jeroen
Strycker, Carl De
Artikel door: Aghina, Bas

Gedichten van het nieuwe millennium

Twintig jaar 21e-eeuwse poëzie uit Nederland en Vlaanderen

[Recensie] Stel, gedichten zijn gestolde gesprekken tussen dichter, de ander/de wereld/zichzelf – graag laten staan wat van toepassing is. Over leven, dood en de liefde, die daar in vele gedaanten en scènes tussendoor beweegt. Hoe voorkom je dat je je een luistervink wordt? Voorzien van unieke commentaren, opent de bundel “Gedichten van het nieuwe millennium. Twintig jaar 21e-eeuwse poëzie uit Nederland en Vlaanderen” onder redactie van Jeroen Dera en Carl De Strycker talloze gesprekken met mensen, die je als lezer anders wellicht nooit zou spreken. En tegen wie je vaak alleen in de ruimte van de bladspiegel – of binnen je hersenkoepel – iets terugzegt. De gekozen gedichten in deze anthologie – het slotstuk in de trilogie Dichters van het nieuwe millennium (2016) en Bundels van het nieuwe millennium (2018) – zijn soms zo intiem, vervreemdend of juist barok bulderend, uitdagend of confronterend dat je bij het lezen bijna om je heen kijkt. Of er nog meer mensen in de ruimte hetzelfde lezen als jij. Om te zien hoe zij reageren. Om dan snel weer terug te keren naar de tekst, om meegesleurd te worden door eerste regels, zoals “Toen ik leerde dat het leven niet gratis was/ben ik moed gaan verzamelen.” van Roberta Petzoldt in Aspect ratio of het hallucinerende “er is troebelstad de mannen van blad de vloedende was uit de hand van de wolkmens/waar rijdt de tijd heen als hij scheurt?” van Martijn Teerlinck in Avondgebed.

Tussen de openingsregels “Klein huis, maar gooi er eens een bal doorheen/en het wordt groot.” van Mark Boog (Klein huis, 2000) en “Mama giet eindelijk/geen verdriet meer op de dingen/en buiten begint de zon/Griekse liedjes te zingen.” van Edward van den Vendel (Wat je moet doen als je moeder huilt, 2021) schrijven, zuchten, roepen, spreken, zingen, huilen, verbazen en zwijgen Nederlandse en Vlaamse dichters en dichteressen in 100 gedichten heel wat af. Oude en nieuwere bekenden maken hun opwachting: Claus, Charlotte Van den Broeck, Pfeijffer, Perquin, Verhelst, Rijneveld, Wigman, Estor, Nasr, Heytze, Tjitske en Sasja Jansen, Fabias, Lecompte, Schaffer, Nolens, Lieke Marsman, om enkelen te noemen.

Een van de ‘openbaringen’ is de hoeveelheid dichters van vooral Vlaamse huizen die ik nog niet of amper kende. Ligt dat aan mijn ligging – we schrijven Amersfoort, ergens tussen Delfzijl en de Westhoek – of toch gewoon aan een lager aantal vlieguren op vleugels van Vlaamse Muzen (sorry, zo’n bundel is besmettelijk…)

Duidelijke meerwaarde vormen de commentaren op de gedichten; een voorbeeld van hun werking. Maria Barnas, Jaja de oerknal (titelgedicht), 2013:

Trouw

“Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.
Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?
Het ontstaan een klont op mijn tong.

Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.
Of zijn het woorden die zich inktzwart
op de takken verdringen. Het is een vorm

van paniek die opwelt in mij en als opvliegende
zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat
de vleugels uit. Wij klapwieken en juichen schril.”

En dan Sarah Posmans commentaar: “Op het einde van de strofe, echter, duikt ‘een vorm’ op. De vorm, lezen we in de derde strofe, is een paniekerig spreken. De zwerm angstvogels breekt uit de keel van de ik-figuur en plots is er wel creatie, compleet met een heelal en geluid. Wat er te horen valt, is geen triomfantelijk gejuich om een nieuwe wereld en de dichter heerst niet als meester over haar schepping. Dat is niet Barnas’ kijk op creëren. Zij plaatst zichzelf naast de angst en de taal. Samen slaan ze hun vleugels uit.” En zo zijn er meer commentaren, die exegetische de dichterlijke kracht versterken waarmee beelden, vragen, twijfels, gevoelens, verwondering en mening in onze gesprekken komen. Commentaren van cerebraal tot ‘praktisch’ how-to-do, zoals Kira van der Starre die Deckwitz’ Vouw je handen in elkaar en ga uitlegt als een yoga-oefening. Goed te weten: alle commentatoren zijn geboren ná 1980, dus we hebben hier te maken met een nieuwe generatie poëziekenners en – genieters. Dat blijft deze burger uit de Swinging Sixties – toen jeugd nog eeuwig was (?) – moed geven.

Wat deze bundel tamelijk uniek maakt: niet alleen door critici bejubelde, maar ook gedichten door lezers aangereikt, zijn erin opgenomen. Bovendien hebben commentatoren ook eigen keuzes aangedragen. Het resultaat mag er wezen: een gezond kakelbonte verzameling soorten gedichten van postmoderne citeergedichten, anekdotiek, bijna zwart/wit geëngageerde, beeld/-fotogedichten (scherp observerend in woorden die het bladzijwit soms laat zinderen) tot aan klassieke verzen, klankgedichten en, zoals de redacteuren zo mooi omschrijven “recht toe rechtaan verwoorde emotionaliteit.” Geschikt voor leerlingen en liefhebbers vanaf ca. 12 jaar tot… u mag het zeggen.

Hamvraag voor een bundel met deze titel is natuurlijk wel: zijn er ontwikkelingen te ontdekken de afgelopen 20 jaar, en zo ja, welke dan? Een aanzienlijk deel van deze bundel, zo zeggen de samenstellers overigens zelf ook, beslaat gedichten van de laatste vijf jaar. En, ja, inderdaad, opnieuw zijn de redacteuren openhartig: er zullen vast namen ontbreken. Zelf viel mij op dat bijvoorbeeld noordelijke dichters zoals Tsead Bruinja en Tonnus Oosterhoff nog onderweg zijn met een gedicht naar deze bundel. Ìs er een trend te zien? Worden naarmate de gedichten het hier en nu naderen, toon en thematiek wellicht zwaarmoediger? De dystopieën lijken heftiger te worden, zoals Walhalla van Jens Meijen:

“Wanneer het zover is
zul je niemand door de kop moeten schieten
of wurgen of elektrocuteren.
– Je zal namen moeten afvinken,
– Excel-documenten invullen,
– externe harde schijven formatteren,
– fout gespelde namen corrigeren om toch maar de juiste dissident/
– of wat maakt het ook uit
– (…)”

En wij lijken ernstiger tussen leef- en systeemwereld in de verdrukking te komen, zoals Iduna Paalmans vertelt in Audit: “Er bestaat een groep riskmanagers, ik ben er een van. (…) ’s avonds rapporteer ik: alles wat misging, is voorkomen, alles wat jankte kan rustig gaan slapen.” Aanrandingen en zelfs familiaire afrekeningen, zoals in Asha Karima’s ondraaglijk-lichtvoetig-verdrietige fetina lente, 2019, worden in kille dan weer heftige details beschreven. Het lijkt er allemaal niet vrolijker op te worden, wel actueler en dus (?) maatschappelijk relevanter. En toch… het een na laatste gedicht is zowaar het trouwgedicht, dat echtparen meekrijgen als ze in Antwerpen zich in de echt verbinden. Inderdaad een gelegenheidsgedicht, Maud Vanhauwaerts ‘wij.hier.nu’ en daar blijkt niets mis mee te zijn:

“en ach, misschien zullen er ooit bergen rijzen
valleien splijten tussen ons in, zullen wij
met rookpluimen moeten seinen: weet je nog

daar. toen. wij. toch

maar zolang we niet vergeten dat er een moment
was in ons leven waarop we dachten
dit en voor eeuwig, dit heden is een eden

vinden wij ons wel weer in elkaar
en ik zal denken aan wat je ooit onbewaakt
tegen mij zei, je had het in oude psalmen gelezen

aan u gebonden ben ik vrij”

Breekt dit gedicht een zwaarmoedige, pessimistische trend? Niet echt, veel ongeluk – klein en groot – is de voedingsbodem voor goede poëzie. Zijn dichters immers niet vaak de kanaries in onze menselijke mijn? Pikken zij als eerste gevaren op, filteren deze en geven deze door, in aansprekende taal? Of om deels met Ellen Deckwitz te spreken: “Poëzie is langs de talige werkelijkheid heen kletsen om de nog onbenoemde werkelijkheid te tonen.” In zijn commentaar op Op mijn rug torste ik de doodskist waarin mijn vader lag. Diep. van Mustafa Stitou stelt redacteur Jeroen Dera: “Zeker in oude culturen, zoals de Arabische, worden dichters en profeten vaak als verwanten voorgesteld.” Daar zit wat in. Want veel thema’s, zoals klimaatverandering, genderzaken, Black Lives Matter, integratie, worden even scherp als soms ongenaakbaar beschreven op een manier, zoals profeten mensen hebben beïnvloed. In hyperpersoonlijke taal, die door de authentieke toon overtuigt en juist daarom universeel menselijk contact tot stand kan brengen. Want het blijven gesprekken, toch?

Het is aan te raden Gedichten van het nieuwe millennium. Twintig jaar 21e-eeuwse poëzie uit Nederland en Vlaanderen van kaft tot kaft te lezen, als een tijdreis. Wanneer je dat doet, kun je bevangen worden door de gedachte: kon ik maar half zo spreken als deze Nederlanders en Vlamingen kunnen schrijven. Is dat erg? Gewoon doorlezen, denk ik dan, luistervink (of soms “biechtvader”?) of niet. En nu en dan iets terugzeggen tegen de ritselende bladzijden, als niemand luistert (of juist wel).

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles